De regels van drie – Lessuggesties 2014

Boek

Dat Marjolijn Hof goed kan schrijven, bleek al bij haar debuut De bloem van de buurt (Kwintessens 1999) hoewel dat toen nog niet werd opgemerkt. Pas bij Een kleine kans (Querido 2006) werd haar talent erkend en beloond met een Gouden Uil en Gouden Griffel.

De regels van drie, nu bekroond met de Woutertje Pieterse Prijs, gaat evenals Een kleine kans op een lichtvoetige manier over een ethisch dilemma. Het verhaal speelt in het uiterste noorden van IJsland in een vissersdorp aan een fjord, omringd door bergen. Daar komt de Nederlandse Twan terecht met zijn tweelingzus Linde, zijn moeder en zijn oma. Ze komen zijn overgrootvader opi Kas – die als haringvisser daar is blijven hangen – naar Nederland halen omdat hij ‘bijna op’ is en niet meer voor zichzelf kan zorgen. Dorpsgenote Svanna heeft zijn Nederlandse familie telefonisch gewaarschuwd dat het zo niet langer kan.

Ze komen met z’n allen omdat ze dan meer kans hebben om de oude man mee te krijgen. ‘We denken dat hij dwars gaat liggen,’ zei oma.(…)
‘Dus we moeten slijmen,’ zei Linde.

Het is november en de ene sneeuwstorm volgt op de andere. Twan heeft Het Grote Survival Handboek bij zich, vol tips over hoe je in extreme omstandigheden kunt overleven. De regels van drie heeft hij uit zijn hoofd geleerd: Je neemt meestal binnen drie seconden een beslissing, en daar hangt je leven van af. (…) je hersenen kunnen drie minuten zonder zuurstof. (…) In een extreem klimaat blijf je drie uur in leven zonder speciale bescherming. Zonder drinkwater houd je het drie dagen uit en zonder voedsel drie weken.

Hij leest ze opi Kas voor, maar opi, ver in de negentig, lichamelijk gammel, geestelijk helder, is niet geïnteresseerd in overleven. ‘Ik heb al zo lang geleefd, jongens. Laat mij nou maar op mijn eigen manier…’ . Zijn dochter en kleindochter willen daar niets van weten en nemen zodra ze zijn kleine huis binnenstappen de regie over.

Eerst vindt Twan het niks dat hij bij opi Kas op de jongenskamer moet slapen, maar gaandeweg wordt hij goede maatjes met opi, al blijft hij fysiek afstand houden. Ze gaan naar het haringmuseum en spannen samen tegen de takketrutten. Twan vindt opi Kas echter teveel voor mij alleen en betrekt er Linde erbij. Opi wil in zijn eentje de bergen in om te sterven, net zoals eskimo’s en indianen doen. Eerst willen Twan en Linde opi tegenhouden, maar geleidelijk verglijdt hun houding naar het accepteren van zijn wens en hem daar misschien wel bij helpen. Eerst lezen ze hem voor uit het Grote Survival Handboek om hem te ontmoedigen, daarna om hem goed voor te bereiden op zijn tocht. Als hun moeder en oma een avond weg zijn, is het zover.

De regels van drie is hecht gecomponeerd, zonder losse eindjes; veel zinnen slaan terug op eerdere zinnen. Marjolijn Hof schrijft sober, subtiel en suggestief, met ingehouden humor. Haar dialogen zijn levendig, geven het verhaal vaart en richting en zeggen meer dan wat er staat. Haar taalgebruik is trefzeker: ‘Auto’s kapseizen niet. Auto’s kiepen om.’ Ze maakt van opi Kas een prachtige ‘vrije jongen’ en van zijn dochter – oma voor Twan en Linde – een bazige vrouw die nog altijd kwaad op haar vader is omdat hij haar vroeger in de steek heeft gelaten door steeds maandenlang de zee op te gaan. De moeder van de tweeling is genuanceerder, al komt zij soms wat plaagziek over; ze gaat dan zingpesten. Twan en Linde hebben naar elkaar aan een half woord genoeg. Als er tijdelijk een verwijdering tussen hen ontstaat doordat Linde voor het eerst ongesteld wordt, heeft Twan daar last van: Ik miste Linde. Zij en ik begrepen elkaar meestal. Ik zei iets en Linde zei iets en het leek op gooien en vangen, zo snel dat niemand ons kon volgen. Het komt weer goed tussen hen en samen helpen ze opi Kas om te verdwijnen.

Het open einde maakt dat de lezer blijft nadenken: Hoe zou het met opi Kas zijn afgelopen? Zou hij gevonden zijn? Mag je iemand helpen om op deze manier zijn eigen weg te gaan? Voors en tegens worden zorgvuldig afgewogen en tot aan het eind blijft de vraag overeind wat het beste is. Het mooi strak geschreven De regels van drie snijdt dit actuele thema op integere, heldere manier aan zonder sentimenteel te worden.

Leeftijd en (voor-)lezen

De tweeling Twan en Linde is ongeveer 11 à 12 jaar oud. Dat maakt het boek geschikt voor 11+: groep 7 en 8 basisschool en de brugklas van de middelbare school.

Voorleestips (zet bij het voorlezen een ijsmuts op):

Hoofdstuk 1, p. 7-10 (introductie personages – op opi Kas na – en kennismaking met IJsland)

Hoofdstuk 2, p. 24 na tweede witregel tot p. 26 (eerste keer dat Twan opi voorleest uit zijn Survival Handboek)

Hoofdstuk 5, p. 45-48 tot witregel (opi Kas vertelt Twan over zijn plan)

Hoofdstuk 7, p. 66-73 (opi vertelt over het meisje Inga Unnur Finnsdottir, op wie hij heel vroeger verliefd was)

Voor wie verder wil lezen

Enkele andere boeken van Marjolijn Hof

  • De bloem van de buurt (debuut, Kwintessens 1999, 6+, bibliotheek). Lena’s klas doet een wedstrijd wie de grootste zonnebloem kan opkweken. Elk kind krijgt vijf zonnepitten. Ze zijn lekker en Lena eet er vier op. Ze heeft er nog maar één om te zaaien, maar ach, ze wint toch nooit wat. Dan gaan de buren van de flat zich ermee bemoeien: buurman tilt stoeptegels op voor een geveltuintje, vader strooit leeuwenpoep om katten en honden af te schrikken, er komt een hek omheen, een stok langs de steel, anti-slakkenpoeder, vioolmuziek, een oppasser. En Lena praat tegen haar bloem. Zo wint ze met een zonnebloem van zestien meter lang, komt ze ermee op de televisie en krijgt ze zelfvertrouwen. De kracht van dit sprankelende verhaal in korte zinnen ligt in de beperking. De lezer kijkt als het ware door een vergrootglas naar het groeiproces, naar de flatbewoners en naar de gevaren die de bloem bedreigen, een focus die alles wat niet ter zake doet, weghoudt. Allerlei aspecten uit het latere werk van Marjolijn Hof zijn hier al in de kiem aanwezig, zoals een licht absurdisme.
  • Een kleine kans (Querido 2006, 9+, Gouden Uil, Gouden Uil Jonge Jury & Gouden Griffel). De vader van Kiek werkt als arts in gebieden die geteisterd worden door natuurrampen of oorlogen. Dit keer vertrekt hij weer naar zo’n gevaarlijk ver land en al snel blijkt hij vermist te zijn. Kiek wil de kans dat hij niet levend terugkomt zo klein mogelijk maken. Ze bedenkt dat de kans dat je vader én je hond én je muizen doodgaan, superklein is. Ze heeft al een stokoude hond, Mona, en ze koopt er twee muizen bij. Als Mona nu doodgaat, én haar muizen, dan moet haar vader het dus wel overleven… Weergaloos spannend, genuanceerd en overtuigend wordt beschreven hoe Kiek probeert het lot te bezweren terwijl de berichten over haar vader steeds somberder worden. Als ze op een viaduct Mona over de reling tilt en laat bungelen, grijpt een volwassene in en begrijpt Kiek dat ze de realiteit onder ogen moet zien, een realiteit die nog ruimte laat voor enige opluchting. Het boek is verfilmd als Patatje Oorlog en in z’n geheel te zien op Youtube.
  • Oversteken (10+, Querido 2007, 11+) Meta’s moeder heeft weer eens een nieuwe vlam: de IJslander Bjarni. Meestal gedragen vriendjes van haar moeder zich irritant, vindt Meta, maar deze valt mee. Ze gaan zelfs met z’n drieën op kampeervakantie naar Bjarni’s geboorteland. Meta’s moeder houdt niet zo van dat primitieve, maar Meta vindt het heel avontuurlijk. Ook de IJslandse sagen die Bjarni vertelt, boeien Meta. Ze vindt Bjarni steeds aardiger terwijl de relatie tussen hem en haar moeder juist steeds stroever wordt en tenslotte verbroken. In dit boek is de overweldigende IJslandse natuur en cultuur op een meer informatieve manier aanwezig dan in De regels van drie, waarin dat harmonischer is verwerkt.
  • Moeder nummer nul (Querido 2008, 10+). Fejzo, afgekort Fé, is geadopteerd, evenals zijn oudere zus Bing die als baby in China te vondeling is gelegd en in een weeshuis terechtkwam. Fé weet alleen dat zijn biologische moeder uit Bosnië komt. Hij noemt haar moeder nummer nul. Door de vragen van een meisje in het park wordt hij nieuwsgierig naar haar, fantaseert hij dat hij zijn tekentalent van haar heeft en gaat hij naar haar op zoek. Als hij via een tussenpersoon hoort dat ze gevonden is – al wil ze hem nu nog niet ontmoeten – wordt zus Bing jaloers en verdrietig, want voor haar is het veel moeilijker om haar biologische ouders te vinden. Fijnzinnige, ontroerende jeugdroman, gebaseerd op de eigen jeugd van Marjolijn Hof als adoptiekind.
  • Mijn opa en ik en het varken oma (Querido 2011, 7+). Originele, absurdistische verhalen over een meisje en haar opa. De verhalen nemen steeds een andere wending dan de lezer verwacht. Opa gaat eindeloos door met pannenkoeken bakken omdat hij zo’n drang vanbinnen heeft. Als het naamloze meisje – de ik-figuur – later als ze groot is neushoorn wil worden, regelt opa even een neushoorn voor de deur zodat ze kan oefenen. Ook haalt ze de malste capriolen uit om van opa een held te maken. Steeds komen de gebeurtenissen na een slingerbeweging naar het absurde weer veilig in de werkelijkheid terug, zoals in het laatste verhaal dat een inventief spel met droom en werkelijkheid is en waarin opa tenslotte op de rand van haar bed zit te vertellen. Ik had nog nooit zo’n spannend verhaal gehoord. Daar kon geen droom tegenop.
  • Zwaan laat het waaien (ill. Ceseli Josephus Jitta, Querido 2011, 6+) Geestig prentenboek waarin auteur en illustrator elkaar zichtbaar geïnspireerd hebben. Zwaan heeft een baby in haar buik en hoopt dat haar Leon, die met een zeilboot op zee is, tijdig thuiskomt voor de bevalling. Het is windstil en dus maakt Zwaan zelf wind, steeds meer, tot in het absurde, met steeds inventievere windmachines. Intussen wordt de baby alsmaar groter, tot hij uit Zwaan haar buik valt, rechtstreeks in de armen van papa Leon die net op tijd komt aanvliegen. Collages vol vrolijke energie waarin de ribbels in het lichtbruine papier de levendigheid accentueren.

Kinderboeken die in IJsland spelen

  • De Edda is de IJslandse verzameling mythologische goden- en heldenliederen uit de Middeleeuwen. Behalve vertalingen voor volwassenen is er een uitstekende bewerking voor kinderen door Henk van Kerkwijk: Verhalen uit de godenwereld van de Edda, Leopold 1991 (bibliotheek).
  • Jón Svensson ((1857-1944): Nonni en Manni, de jongens van het vuureiland (Altamira 1989, 9+, bibliotheek). Svensson, de bekendste IJslandse kinderboekenschrijver, baseerde zijn sociaal-realistische klassiekers over de broers Nonni (12) en Manni (8) op zijn eigen kinderjaren in het noorden van IJsland. Spannende avonturen, met vaart beschreven, zij het in een stijl die nu wat archaïsch aandoet. En vanaf het begin is duidelijk wie de ‘goeden’ en wie de ‘slechten’ zijn. In 1988 werd de serie verfilmd en daarna meerdere malen door de VPRO uitgezonden. Dvd’s zijn verkrijgbaar in het Duits en Engels, niet in het Nederlands.
  • Hans Kuijper: Ragna en de Bergman, Zwijsen 1998, 7+, AVI M4. De half Nederlands, half IJslandse Ragna logeert in de vakantie bij opa in IJsland, bij de vulkaan Hekla. Tijdens een uitbarsting wordt ze door de elf Fjalar gevraagd om de Gele Heks, die het vulkaanvuur aansteekt, in slaap te krijgen want dan zal de vulkaan ook weer gaan slapen. Ragna moet de heks aankijken. Het lukt omdat ze dezelfde groene ogen heeft als haar opa alias de Bergman die dit normaal altijd deed maar wiens ogen minder zijn geworden. Boeiend verhaal, leestechnisch eenvoudig maar inhoudelijk complex door de mix van werkelijkheid en mythe en doordat Fjalar een verhaal in het verhaal vertelt.
  • Ulrike Heyne & Krista Ruepp: Prins, de IJslandse pony, De vier Windstreken 2002, 5+. Prentenboek over een meisje en haar pony in IJsland. De pony wordt in de lente met de kudde naar de zomerwei hoog in de bergen gebracht en in het najaar weer opgehaald. Het verhaal is mager maar de zwierige, spreadbrede aquarellen geven een mooi beeld van het ruige noorden van IJsland waar ook De regels van drie speelt.

Kinderboeken die niet in Ijsland spelen maar wél in het poolgebied

  • Julie van de wolven van Jean Craighead George, Nederlandse vertaling Kosmos 1974, Jenny de Jonge 1994-2000, 12+, Zilveren Griffel en Deutsche Jugendliteraturpreis 1975. Adembenemende survival-jeugdroman over 13-jarig Eskimomeisje dat wegvlucht uit het noorden van Alaska voor een gedwongen huwelijk en dan verdwaalt in de toendra. Ze overleeft een zomer en winter door vriendschap te sluiten met een roedel wolven; dat lukt pas nadat ze dagenlang hun gedrag en ‘taal’ geobserveerd heeft en uitgeprobeerd hoe ze op haar reageren. Ze geeft elk van de wolven een naam en daarmee individualiteit. Ten slotte komen de wolven haar zelfs kariboevlees brengen. Ze bouwt haar eigen sneeuwhut en oriënteert zich aan de hand van de vliegrichting van trekvogels. Vanuit grote deskundigheid en respect voor de Eskimocultuur geschreven en daardoor volstrekt geloofwaardig. Niet toevallig één van de lievelingsboeken van Marjolijn Hof.

Over sterven in de bergen

In de film De ballade van Narayama, (1983, Gouden Palm, 16+) is dit geen vrije keus, zoals bij opi Kas, maar sociale plicht. De Japanse cineast Shôhei Imamura baseerde zich op de gelijknamige roman van Shichiro Fukazawa. Het verhaal speelt in de 19de eeuw in een afgelegen dorp in het noorden van Japan. Als de dorpelingen zeventig jaar oud zijn moeten ze naar de berg Nara om te sterven. Zo maken ze plaats voor jongeren en blijft er genoeg voedsel voor de gemeenschap. De 69-jarige Orin ziet er nog goed uit, heeft al haar tanden nog en is nog vief. Toch moet ze zich voorbereiden op haar dood. De film volgt haar laatste jaar, waarin ze zorgt dat haar oudste zoon die weduwnaar is, trouwt en dat haar jongste zoon minstens één keer met een vrouw geslapen heeft. Indrukwekkende, rauwe maar ook ontroerende film.

In De regels van drie leest hoofdpersoon Twan steeds (voor) uit Het Grote Survival Handboek.

Survivalhandboeken

  • Kinderen: C. Llewellyn: Kids Survival Handboek, VBK Media 2008.
  • Volwassenen: John Wiseman: Het SAS Survival Handboek (576 p.), Kosmos 2009.

Groepsgesprek

Een goede manier om een jeugdroman klassikaal te bespreken is door Aidan Chambers ontwikkeld. Chambers is een Engelse jeugdboekenschrijver die in 2002 de Hans Christian Andersenprijs kreeg. Hij is ook een specialist in leesbevordering en hij beschrijft deze aanpak, ontstaan in de praktijk van de basisschool, in zijn boeken Vertel eens en De leesomgeving (Biblion 2001). De werkwijze is te gebruiken in de hele basisschool, op het vmbo en in de onderbouw havo/vwo.

De ‘Vertel eens’-aanpak komt erop neer dat de klas ongeveer drie kwartier over een boek praat naar aanleiding van vragen die de leerkracht stelt. Chambers gaat uit van de volgende basisvragen, die meestal veel reactie ontlokken:

  1. Wat vind je leuk aan het boek?
  2. Wat vind je niet leuk aan het boek?
  3. Wat vind je moeilijk?
  4. Zie je ook bepaalde patronen die zich herhalen?

Zet de antwoorden van de leerlingen op deze vragen in steekwoorden op het bord. De drie eerste vragen vormen een inleiding tot de laatste vraag, die het belangrijkst is: de vraag naar bepaalde patronen of stramienen in het boek. Door op die patronen te letten, leren kinderen beter kijken, luisteren en lezen. Dan kunnen ze nog meer genieten van een boek. Als ze daar eenmaal mee geoefend hebben, begrijpen ze het gauw genoeg.

Patronen kunnen zitten in de dingen die de leerlingen spannend/goed, saai/niet goed, of moeilijk vinden.
Voorbeelden van patronen uit De regels van drie:

      • Veel dialogen. Vaak zegt een dialoog meer dan wat er letterlijk staat. Zie p. 36, 77, 93. Op p. 36 bijvoorbeeld tussen Twan en zijn moeder: Mama duwde me het gangetje in. ‘Ik ben blij dat jullie (= opi en Twan) het goed met elkaar kunnen vinden.’ Bij de kapstok zei ze: ‘Twan? Nog één nachtje?’ (namelijk slapen in opi’s slaapkamer).
        ‘En dan nog en nachtje en nog een nachtje. Dat had je toch allang in je hoofd?’
        ‘Dank je wel,’
        zei mama.
      • Dialogen tussen Twan en Linde, die vaak aan een half woord genoeg hebben, zijn een categorie apart. Zie p. 14, 29, 49, 50, 87. Op p. 29 en 49 gebruiken ze onafhankelijk van elkaar dezelfde woorden: ‘We zijn omsingeld.’ Op p. 50: ‘Ga je het zeggen?’ schreeuwde ik. ‘Misschien!’ schreeuwde ze terug. Misschien betekende nee. En op p. 87: ‘Dus?’ zei Linde. ‘Dus,’ zei ik. P. 29: Twan over de gesprekken die hij en Linde voeren: ‘Ik zei iets en Linde zei iets en het leek op gooien en vangen, zo snel dat niemand ons kon volgen.’
      • Veel kinderliedjes, eerst vooral gezongen door de moeder van Twan en Linde om te plagen of om een ander de mond te snoeren. Als opi vertrokken is, zingen Twan en Linde zijn liedje Ik heb een potje met vet om elkaar moed in te spreken.
      • Zinnen die teruggrijpen op eerdere zinnen, bijvoorbeeld over ‘wat het beste is’ op p. 43 en 116; over opi’s spulletjes op zolder op p. 15, 95, 104 en 105; over de gele nagels van opi op p. 45 en 55; over opi’s wandelstok op p. 13, 82 en 111.
      • Neologismen: mouwvreters, zombieberg, zingpesten, plofwoorden.
      • IJslandse woorden: plokkfiskur, bless, jau, nei, konur, karlar, andskotans, kleinur.
      • Heel geleidelijke overgang bij Twan en Linde van opi willen tegenhouden naar begrip krijgen voor zijn wens en hem helpen vertrekken.
      • Het Grote Survival Handboek komt steeds terug. Eerst is het leesvoer voor een week, daarna een handleiding om te overleven in extreme situaties, vervolgens leest Twan eruit voor om te voorkomen dat opi wegloopt en tenslotte om hem te wapenen voor zijn tocht de bergen in.
      • Over weten of iets goed is of niet: p. 43, 102, 113, 115, 116, 117.

    Over doodgaan, plaatsmaken: p. 63, 64, 71, 72, 76, 77, 84, 85, 86. Op p. 71 zegt opi Kas tegen Twan en Linde:

‘Eskimo’s en indianen deden het net zo. Die gingen de wildernis in aan het eind van hun leven.’

    • En op p. 76-77 probeert Twan zich voor te stellen hoe het is om stokoud te worden:

… misschien, heel misschien zou ik hetzelfde als opi Kas willen. Doodgaan op mijn eigen manier. Ik kon me niet voorstellen hoe ik me zou voelen als ik negentig was, maar misschien zou ik dat willen. De bergen in. Ja, als ik toch dood zou gaan, dan zou ik dat willen. De bergen in.

  • Over het waarschuwen voor teveel fantasie: p. 31, 60, 112. Eerst waarschuwt opi Twan en Linde voor teveel fantasie; op p. 112 waarschuwt Twan opi voor teveel fantasie.
  • Voortdurend is het barre winterweer de achtergrond waartegen het verhaal zich afspeelt: sneeuw, storm, sneeuwschuivers, ijspegels, antislipmatjes, mutsen, sjaals…
  • Dubbele houding van Twan naar opi Kas: sympathie, maar ook fysieke afkeer. Zie p. 32: Ik probeerde zo min mogelijk van hem te zien. En p. 33 (in de douche van het zwembad): En ik zag zijn schrompelige billen en benen met dikke aderen. Straks zou hij zich omdraaien en dan zou ik het allerergste zien. Een schrompelige piemel.
  • Wantrouwen van oma naar opi: p. 94, 95, 103. Op p. 94 zegt oma: ‘Ik vertrouw hem voor geen cent.’
  • Over opi’s kleine huis zonder privacy: p. 15, 23, 78. Opi Kas wees ons de slaapkamers. We probeerden alles te bekijken zonder dringen en botsen. (p. 15) … als ik ook de rest wilde wassen, zei mama, zou ze een handdoek omhooghouden. Dan kon niemand iets zien. Ze keek naar mijn billen, dus ik wist wat ze bedoelde. (p. 23).

Zodra de leerlingen doorhebben dat dát nu patronen of stramienen zijn, gaan ze die in andere boeken ook herkennen. Soms vinden leerlingen na zo’n bespreking moeilijke aspecten niet moeilijk meer, of vallen hen opeens leuke dingen op die ze eerst niet zagen.

Tips

  • Er zijn meer vragen mogelijk; elke leerkracht ontwikkelt daarin zijn of haar eigen stijl.
  • De leerlingen moeten het boek goed kennen.
  • Alles mag gezegd of opgemerkt worden. Niets is gek of stom. Geef de leerlingen het gevoel dat hun antwoord belangrijk is.
  • Er wordt niet door elkaar heen gepraat. Iedereen luistert naar elkaar.
  • Het boek moet niet te simpel en voorspelbaar zijn, anders zijn de leerlingen er snel over uitgepraat. Elk boek dat de Woutertje Pieterse Prijs heeft gekregen, is geschikt.
  • De ‘Vertel eens’-aanpak werkt het best als die regelmatig wordt gehanteerd. Dan raken de leerlingen eraan gewend en gaan ze het leuk vinden om op ontdekkingsreis te gaan in een volgend boek.
  • Meer informatie in: Aidan Chambers: Leespraat, Biblion 2012, een samenvoeging van zijn boeken Vertel eens en De leesomgeving, Biblion 2001.

Praten

Over de titel

De regels van drie had ik uit mijn hoofd geleerd. (p. 7)

Meteen op de eerste bladzijde komt de titel van het boek al ter sprake. Zoek met elkaar meer stukjes die gaan over de regels van drie en lees die fragmenten aan elkaar voor. Waarom zijn de regels van drie zo belangrijk dat het hele boek ernaar is genoemd? Vind je het een goede titel? Waarom?

Bedenk met elkaar titels hoe het boek ook zou kunnen heten: een saaie titel, een spannende titel, een geheimzinnige titel, een titel met een naam erin, een titel met een werkwoord erin, een titel van één woord, een lange titel, een nog betere titel dan De regels van drie.

Over doodgaan of blijven

‘Denk jij wel eens na over doodgaan?’ vroeg Linde.

‘Bijna nooit,’ zei ik.

‘Als je doodgaat, maak je plaats voor nieuwe  mensen.’

‘Wij blijven nog,’ zei ik snel. ‘En mama en oma blijven ook.’

‘En papa.’ (p. 84)

Wat zou jij antwoorden op de vraag van Linde? Waarom zou ze die vraag stellen, denk je? Wat vind je van het antwoord van Twan? En wat vind je van de reactie van Linde dat je plaats maakt voor nieuwe mensen als je doodgaat? Ben je het met haar eens? Praat er met elkaar over.

Zou jij plaats willen maken voor nieuwe mensen? Waarom wel of niet? En wanneer wel of niet?

Wat wil opi Kas in het boek: doodgaan of blijven? Zoek stukjes in het boek waarin opi Kas daar iets over zegt en lees ze elkaar voor. Wat vinden Twan, Linde, moeder en oma daarvan? Vind jij dat opi Kas gelijk heeft? Ook als het je eigen opa zou zijn?

Over iemand helpen om te verdwijnen

‘Ik wil weten wat ik moet doen als u de bergen in gaat. Wat moet ik doen om te helpen. Ik wil het nu weten.’ (…)

‘Je moet tegen die tijd wat spullen voor me pakken. Ik kan het zoldertje niet meer op.’

‘Oké.'(…)

‘En nog iets. Je moet zeggen dat ik lig te slapen als het zover is. Dat ik in de jongenskamer ben. In plaats van buiten ben ik dan zogenaamd hier.’

‘Oké.’

‘Fijn dat je me wilt helpen.’

‘Ik heb niet gezegd dat ik ging helpen.’

‘Je zei oké.’

‘Om te zeggen dat ik u gehoord had.’

‘Op die manier,’ zei opi Kas. (p. 77)

Opi Kas wil dat Twan hem helpt om de bergen in te gaan. Waarom zou opi Kas de bergen in willen? En weet Twan precies wat opi Kas wil? Waarom belooft Twan niet dat hij opi gaat helpen? Als jij Twan was, wat zou jij dan doen?

‘We moeten nadenken over wat het ergste is,’ zei Linde. ‘Opi Kas in het ziekenhuis of opi Kas in de bergen.’

Ik hoefde er niet over na te denken, want ik wist het al. ‘Opi Kas in het ziekenhuis.’

‘Ja,’ zei Linde. ‘Opi Kas in het ziekenhuis. Dat is het ergste.’ (…)

‘Opi Kas in de bergen,’ zei ik. ‘Dat is het minst erge.’

‘Dus?’ zei Linde.

‘Dus,’ zei ik.

‘Hij wil dat ik hem help,’ zei ik. ‘Spullen pakken en zeggen dat hij in bed ligt als hij weggaat, maar ik weet nog niet of ik dat ga doen.’ (p. 86/87)

Waarom twijfelt Twan nog steeds om opi Kas te helpen? Wat spullen van de zolder pakken: is dat zo moeilijk? Hoe denkt Linde daarover, volgens jou? Hoe zou het aflopen als opi Kas de bergen intrekt? Goed? Op wat voor manier goed? Slecht? Op wat voor manier slecht? Als het slecht afloopt, is het dan mede de schuld van Twan en Linde? Wat zou jij gedaan hebben als het om jouw opa of oma ging?

Over schaamte

Ik kleedde me uit tot ik alleen mijn onderbroek aanhad. Ik liet de kraan lopen, maakte het washandje nat en begon bij mijn gezicht. Het was vreemd stil in huis. Zomaar opeens. Alsof ik in een tv-programma met een verborgen camera was beland, bedacht ik. Daar stond ik, helemaal alleen in de keuken. Ik liet mijn onderbroek zakken en plotseling gingen alle deuren open. Iedereen sprong tevoorschijn. Oma, mama en Linde. Opi Kas en de cameraploeg. Mensen met feesthoedjes en toeters. Tadáá!

Maar er gebeurde niets. Ik waste mezelf van top tot teen. Razendsnel. (p. 81)

Twan schaamt zich om bloot gezien te worden. En hij schaamt zich ook als hij opi Kas in zijn blootje ziet. Kun je je dat voorstellen? Denk je dat opi Kas zich schaamt? Praat met elkaar over schaamte. Wat is schaamte eigenlijk? Is het goed om je te schamen? Lastig? Vervelend? Stom? Waarom? Denk je dat ieder mens zich wel eens schaamt? Schaam jij je ook? Soms, vaak, altijd?

Kun je je ook schamen voor andere dingen dan ‘bloot zijn’? Om wat dan? Kun je je ook schamen voor andere mensen? Krijg jij gauw een rood hoofd? Wat doe je als je moet blozen? Wie schamen zich meer: jongens of meisjes, kinderen of volwassenen, peuters of bejaarden? Waarom denk je dat? Kan een baby zich al schamen? Op welke leeftijd begint schaamte?

Over een boek waar je minstens een week mee kunt doen

Ik had alleen het begin van Het Grote Survival Handboek gelezen. Het had meer dan driehonderd bladzijden en al die weetjes begonnen me op een gegeven moment te vervelen. Maar mama had gezegd dat ik een boek mee moest nemen waar ik minstens een week mee kon doen. (p. 7/8)

Neem jij boeken mee als je met vakantie gaat? Waarom wel/niet? Wat voor soort boeken en hoeveel? Boeken die je al een keer hebt gelezen of die je juist nog niet kent? Dikke of dunne boeken? Luisterboeken? E-books?

Heb je wel eens met een vakantie boeken meegenomen en ze toen niet gelezen? Hoe kwam dat? Wat is voor jou een boek waar je minstens een week mee kunt doen? Hoe lang doe jij meestal over een boek? Welk boek zou jij meenemen als je Twan was?

Neem van huis of uit de (school)bibliotheek boeken mee die je goed vindt om mee te nemen op reis. Laat ze elkaar zien en vertel erover. Geef elkaar leestips.

Over een verkeerde beslissing nemen

Binnen drie seconden nam ik een verkeerde beslissing. (p. 10)

Neem jij wel eens beslissingen? Of worden ze meestal voor jou genomen? Wat mag jij zelf beslissen? Zijn dat altijd goede beslissingen? Heb jij wel eens een verkeerde beslissing genomen? Wat voor beslissing was dat? Een grote of een kleine?  Wanneer en waar gebeurde dat? Wist je meteen dat het een verkeerde beslissing was of merkte je het pas na een tijd? Is beslissingen nemen moeilijk? Doe je er soms ook lang over om een beslissing te nemen?

Praat met elkaar over keuzes maken, twijfelen, (on)zekerheid, terugkomen op je beslissing. Geef steeds voorbeelden uit het leven van alledag. Bijvoorbeeld over het uitstellen van huiswerk maken, welke kassa je kiest in de supermarkt, wat je op je brood smeert, welke sokken je aantrekt, waar je gaat zitten in de bus.

Over wat je hoort als je in bed ligt

Na een tijdje wist ik zeker dat opi Kas sliep. Hij ademde in en uit. Er zat een piepje in zijn keel, alsof er iets gesmeerd moest worden.

De wind hield me wakker. En het huis maakte geluid, het kraakte en af en toe was er een droge tik te horen. (…) Ik hoorde mama naar bed gaan. (p. 27)

Wees eerst samen zo stil mogelijk en luister dan naar de geluiden die je hoort in de klas. Praat er daarna kort over. Luister dan naar de geluiden in het schoolgebouw. Naar de geluiden buiten. Naar de verste geluiden. Naar geluiden in jezelf. Kun je je bloed horen ruisen, je maag horen rommelen?

Praat met elkaar over wat je hoort als je ’s avonds in bed ligt. Maak eerst in gedachten eenzelfde luisterreis: de slaapkamer, het huis, naar buiten, naar ver weg, naar binnen.

Weet je nog wat je hoorde toen je in een logeerbed lag, toen je met vakantie was of toen je in het ziekenhuis lag? Praat over bekende en vreemde, geruststellende en enge geluiden.

Doen

Meereizen in een atlas of op Google maps

Het was onze tweede reisdag. Op de eerste waren we naar Reykjavik gevlogen. (…) De volgende morgen stapten we in een vliegtuigje dat ons naar het noorden bracht. (p. 9)

‘De zee?’ vroeg ik. ‘Where is the sea?’

De chauffeur wees naar links. (p. 8)

Het busje reed een smalle tunnel in. (p.10)

Aan de andere kant van de tunnel lag het dorp van opi Kas. (p.11)

Het dorp moest vlak bij de zee liggen en vlak bij de bergen. (p.14)

Pak de atlas of kijk op Google Maps en zoek IJsland en Reykjavik op. Probeer de reis van Twan en zijn familie op de kaart na te gaan. Vanuit Reykjavik gingen ze per vliegtuig naar een vliegveld ergens in het noorden. Vandaar met een busje verder. De zee ligt links. Na een tunnel ligt het dorp van opi Kas vlak bij de zee en de bergen. Waar op de kaart zou dat kunnen zijn?

Ik heb op verschillende plekken aan dit boek gewerkt. Allereerst was er Herhúsið in Siglufjörður, hoog in het noorden van IJsland. Daar deed ik veel indrukken op die in het verhaal terecht zijn gekomen. (p.119, de auteur in haar dankwoord.)

Zoek op de kaart van IJsland, op Wikipedia of op Google Maps Siglufjörður op. Zou dat ook de plaats kunnen zijn waar in het verhaal opi Kas woont?

Ik schreef verder in het zuiden van IJsland, in Laugarvatn. (p.120, de auteur in haar dankwoord.)

Zoek op de kaart van IJsland, op Wikipedia of op Google Maps Laugarvatn op. Via welke weg zou schrijfster Marjolijn Hof daarheen hebben kunnen reizen?

Toneelscène Plokkfiskur spelen

‘Plokkfiskur,’ zei opi Kas.

‘Plokkfiskur?’ zei mama en daarna zei oma: ‘Plokkfiskur.’ En ik riep ‘Plokkfiskur! Plokkfiskur!’ omdat het goed was om even lawaai te kunnen maken.

Opi Kas lachte. ‘Plokkfiskur,’ zei hij langzaam

‘Hèhè, dat hadden we nodig,’ zei oma, ‘een beetje vrolijkheid.’

Het werd meteen stil. (p. 21/22)

Speel met elkaar deze scène uit het boek. Het IJslands woord ‘plokkfiskur’ wordt op allerlei verschillende manieren gezegd. Na de Nederlandse zin van oma moet het meteen stil zijn. Wat gebeurt er eigenlijk in deze scène?

Fantaseer een ander woord dat IJslands klinkt en maak er een vreemde toneelscène van. Er mag geen Nederlands in gesproken worden, alleen het nieuwe IJslands woord dat steeds wordt herhaald: vragend, kortaf, boos, vrolijk, fluisterend, lachend, zingend, enzovoort. Hoe loopt de scène af?

Nieuwe woorden bedenken

zombieberg (p. 29)

plofwoorden (p. 29)

zingpesten (p. 44)

mouwvreters (p. 55)

Dit zijn nieuwe woorden die schrijfster Marjolijn Hof heeft bedacht. Wat betekenen ze? Pak het boek erbij en leg het aan elkaar uit.

Fantaseer zelf een paar nieuwe woorden. Bijvoorbeeld: jasscheurders, lachbossen, vliegtaal, dansdal, enzovoort. Schrijf ook op wat die woorden betekenen.

Vraag andere kinderen welke betekenis zij geven aan jouw nieuwe woorden. Komt dat in de buurt van wat jij hebt bedacht?

Collage maken van opi Kas

Opi Kas was zo oud dat ik hem in mijn hoofd niet jonger kon maken. Ik dacht aan opi Kas als visser en ik zag een oud mannetje in een blauwe trui. Ik dacht aan opi Kas als jongen en ik zag een oud mannetje in een korte broek. Ik dacht aan opi Kas als baby en ik zag een oud mannetje met een fopspeen. (p. 42)

Knip uit kranten en tijdschriften foto’s van baby’s, jongens, jonge en oude mannen. Plak de foto van een baby op een papier en plak over het babyhoofd het hoofd van een oude man. Of geef een visser, voetballer, fotomodel de kop van een veel oudere man. Zo maak je een collage van hoe Twan opi Kas ziet. Je kunt er ook bij tekenen. Het hoofd nog ouder maken door er een baard of snor op te tekenen. Werk met verschillende formaten: een klein babylijf met een groot mannenhoofd, of andersom.

Maak een tentoonstelling van alle collages van opi Kas.

Voorlezen voor mutsen

Ik had nieuwe bruine wanten aan en een nieuwe muts met grijze en bruine figuurtjes. (…) Mama had een nieuwe grijze muts en oma een nieuwe witte. Ze hadden ook een muts voor Linde gekocht. En een muts voor opi Kas, want anders was het niet eerlijk. (p. 55)

Vraag alle kinderen uit de klas om met een gebreide (ijs)muts op naar school te komen. Misschien heeft niet elk kind zo’n muts, maar wellicht zijn er ook kinderen die een extra muts mee kunnen nemen.

Lees het eerste hoofdstuk uit het boek voor terwijl iedereen een muts op heeft. Nog spannender kan dat zijn om het in de winter te doen, met de ramen open, iedereen dik en warm aangekleed.

Je naam veranderen

Het mooiste haringmeisje, en nu komt het, was Inga Unnur Finnsdottir. (p.66)

Ik dank het team van Herhúsið: Ásta Júlia Kristjánsdóttir, Kristján Jóhannson, Guðný Robertsdóttir, Hálfdán Sveinsson. (p. 119, in het dankwoord van de schrijfster)

Mensen in IJsland krijgen de voornaam van hun vader als achternaam. Als je een meisje bent, wordt er dóttir (dochter) achter de voornaam van je vader gezet, als je een jongen bent son (zoon). De achternaam van Inga Unnur is Finnsdottir. Dat betekent dus: dochter van Finn. De achternaam van Kristján is Jóhannson. Dat betekent zoon van Jóhann. Tegenwoordig kunnen IJslandse kinderen ook de voornaam van hun moeder als achternaam krijgen.

In Nederland had je vroeger iets soortgelijks. De beroemde componist Jan Pieterszoon Sweelinck is de zoon van Pieter. De vader van de uitvinder van de boekdrukkunst Laurens Janszoon Coster heette Jan. En de vader van verzetsvrouw Kenau Simonsdochter Hasselaer heette Simon. De Nederlandse achternaam Janssen komt van Janszoon. Achternamen als Pietersen, Hendriksen, Klaassen, Gerritsen, Jacobsen zijn op een soortgelijke manier ontstaan.

Verander je naam in een IJslandse variant. Je houdt je voornaam, maar als achternaam neem je de voornaam van je vader en daar zeg je ‘zoon’ of dochter’ achter.

Stel je zo aan elkaar voor: Ik ben Mirjam Karelsdochter; ik ben Daan Karelszoon. Doe dat ook met de voornaam van je moeder: Ik ben Mirjam Margrietsdochter. Ik ben Daan Margrietszoon.

Zou je in het echt ook graag zo willen heten?

Een quinzhee tekenen

Ik maakte nog een tekening. In het boek stond een plaatje van een quinzhee, een uitgegraven hol in een sneeuwhoop. Ik tekende het plaatje na en omdat niemand, echt helemaal niemand, kon zien dat het een hol in een sneeuwhoop was schreef ik: Dit is een quinzhee. Dat hielp niet zoveel, niemand, echt helemaal niemand wist wat een quinzhee was. (p. 58)

Teken vlug op een kladblaadje een quinzhee, ook al weet je niet hoe die eruit ziet. Vergelijk je tekening met die van andere kinderen uit jouw groep.

Bekijk op YouTube filmpjes over het bouwen van een quinzhee. In dit filmpje zie je hoe een  man in drie minuten een quinzhee bouwt (in het echt deed hij er vijf dagen over):

En dit is een wat uitgebreider filmpje over het maken van een quinzhee:

Twan zegt in het boek dat helemaal niemand weet wat een quinzhee is. Is dat zo? Doe een onderzoek: vraag aan je vader, moeder, oom, tante, buurvrouw, trainer, vriend, vriendin, bekende, onbekende of ze weten wat een quinzhee is. Hoeveel mensen kom je tegen die het niet weten? En hoeveel weten het wel? Turf de uitkomst. Leg aan mensen die het niet weten uit wat een quinzhee is: een hol dat is gemaakt in een sneeuwhoop en waarin je veilig en redelijk warm kunt overleven.

Haring- en kabeljauwquiz

Ik zat in de kabeljauw, in de haring, overal smoesde ik me naar binnen. (p. 65)

Opi Kas viste eerst op kabeljauw, daarna op haring. Wat is het verschil tussen een kabeljauw en een haring? Zoek op internet naar informatie over deze beide vissoorten. Schrijf vragen op naar aanleiding van de info die je vindt. De antwoorden moeten steeds ‘haring’ of ‘kabeljauw’ zijn. Bijvoorbeeld: Welke vis is groter: haring of kabeljauw? Welke vis zwemt dieper: haring of kabeljauw? Is een rolmops een haring of een kabeljauw? Van welke vis wordt stokvis gemaakt? Bij welke vis hoort vlaggetjesdag? Welke vis heeft een kin-draad? Welke vis heeft bruine vlekken? Welke vis wordt rauw gegeten? Is kibbeling kabeljauw of haring? Enzovoort.

Speel vervolgens de haring- en kabeljauwquiz. Serveer er stukjes haring en kibbeling bij.

Breien

‘Maar als het moet kan ik heel goed breien,’ zei opi Kas. Hij haalde zijn oude muts uit het gangetje. ‘Twee recht, twee averecht, geen kunst aan.’ (p. 78)

Vroeger was het heel gewoon dat mannen breiden, vooral herders en vissers. Later werd breien meer iets voor vrouwen. Op de lagere school kregen meisjes en jongens breiles. Tegenwoordig zijn het meestal vrouwen die breien, maar ook steeds meer mannen vinden het leuk. Breien is hip geworden.

Als je op YouTube ‘leren breien’ intikt, krijg je veel filmpjes te zien met uitleg hoe je leert breien. Bijvoorbeeld dit filmpje over de basistechniek: opzetten, recht breien, averecht breien en afkanten:

In dit filmpje laat Emilie (vijf jaar) zien hoe ze breit:

Nodig op school iemand uit om breiles te geven. Dat hoeft niet perse een oma of een bejaarde uit een verzorgingstehuis te zijn, ook veel jonge mensen kunnen breien.
Beginners breien sjaals en lapjes, gevorderden wagen zich aan het breien van een muts.
Het zogenaamde ‘wild breien’ is op sommige plaatsen heel geliefd: bomen en lantaarnpalen krijgen daar gebreide truitjes in alle kleuren.

Knopen leggen

‘Ik heb  m’n hele leven knopen gelegd, dus daar hoef ik niets meer over te horen.’

‘Kent u de dubbele kettingknoop?’ vroeg ik. (p. 88)

Leer elkaar de meest eenvoudige knopen leggen: de platte knoop, de schootsteek, de mastworp, de paalsteek. In dit YouTube-filmpje wordt het heel visueel uitgelegd.

Op YouTube zijn meer instructieve filmpjes te zien over allerlei soorten knopen. Wat is een oud wijf? Hoe knoop je een vlechtje, een armband? Hoe leg je een dubbele kettingknoop?

IJslandse woorden vertalen

plokkfistur  (p. 21)

sundfata (p. 32)

Leifur (p. 67)

andskotans (p. 68)

bless (p. 91)

kleinur (p. 106)

Dit zijn IJslandse woorden die in het boek voorkomen. Wat betekenen ze? Zoek het op in IJslands woordenboek:

http://woordenboek.co/europees/nederlands-ijslands

Zouden de plaatsnamen Siglu-fjörður (p. 119) en Laugar-vatn (p. 120) ook wat betekenen?

Andersom kun je op die site ook woorden vertalen. Wat is haring, kabeljauw, haven, sneeuw, vinger, stokvis, zwembad, water, fjord in het IJslands?

Schrijf een korte zin in het Nederlands en maak een vertaling met hulp van het woordenboek in het IJslands.

Noorderlicht-vloer maken

‘Noorderlicht,’ zei opi Kas.

Ik keek naar de hemel. De groene baan was zo bleek dat je hem bijna niet kon zien. De sterren vielen beter op, die twinkelden overal. (…)

En tussen dat getwinkel verscheen een tweede groene baan, een lange tong die aan de hemel likte en langzaam feller werd. (…)

De tong veranderde in een groen sluiergordijn dat zachtjes bewoog alsof de wind erdoorheen blies. En naast het gordijn kwam een nieuwe hemeltong, een lang lint dat breder werd en weer smaller. (p. 110)

Kijk op Google-afbeeldingen naar allerlei foto’s van het noorderlicht. Daar zie je dat het niet alleen om groene banen en tongen gaat, maar ook om blauwe kringen, paarse strepen, roze golven, oranje vlekken, enzovoort.

Teken met kleurkrijt op zwart papier jouw eigen noorderlicht.

Leg daarna de tekeningen van alle kinderen dicht tegen elkaar aan op de grond. Zo maak je samen een grote vloer van alle noorderlichten.

Links

Naar boven