Lampje – Lessuggesties 2018

Bij Lampje, het boek waarmee Annet Schaap de de Woutertje Pieterse Prijs 2017 won, is onderstaand lesmateriaal ontwikkeld door Lieke van Duin en Jos van Hest. Er is ook een pdf beschikbaar.

Lampje

Annet Schaap, 2017

Inhoud

  • Boek
  • Leeftijd en (voor-)lezen
  • Groepsgesprek
  • Aan de slag
  • Praten
  • Doen
  • Voor wie verder wil lezen en kijken
  • Links

Boek

Een eiland dat nog een beetje vastzit aan het vasteland, als een losse tand aan een draadje, heet een schiereiland. Zo luidt de beeldende beginzin van Lampje, het schrijfdebuut van Annet Schaap, bekend als illustrator van zo’n tweehonderdvijftig kinderboeken.

Om als illustrator een boek te gaan schrijven, daar moet je lef voor hebben. Annet Schaap had dat lef en het resultaat is overrompelend! Lampje is een rijk, sprookjesachtig avontuur vol vaart dat de uitgever terecht typeert als magisch-realistisch in de traditie van Paul Biegel. Ook is ze schatplichtig aan Andersens De kleine zeemeermin, ontwaar je hier en daar vleugjes Astrid Lindgren, Annie M.G. Schmidt, Els Pelgrom en motieven uit Assepoester, De geheime tuin en Belle en het Beest.

Lampje heet eigenlijk Emilia, naar haar overleden moeder. Ze woont met haar vader Augustus op dat schiereiland, naast de vuurtoren. Ze is maar twee weken naar school geweest en kent alleen de letter E. Omdat haar vader een been mist, moet zij elke avond de eenenzestig treden van de vuurtoren beklimmen om de lamp aan te steken. Op een dag vergeet ze lucifers te kopen. En dan gaat alles mis: het stormt die nacht en doordat de vuurtoren geen licht geeft, slaat er een schip op een rots voor de haven. Zij en haar vader krijgen de schuld en moeten elk zeven jaar werken om de schade te betalen. Haar vader wordt opgesloten in de vuurtoren en Lampje wordt gedeporteerd naar het sombere Zwarte Huis van de Admiraal, waar ze als een assepoester moet dweilen en schoonmaken. En dat terwijl er gefluisterd wordt dat er een monster in de torenkamer huist!

Beetje bij beetje geeft Annet Schaap meer prijs over dat monster, dat een jongen met een vissenstaart blijkt te zijn die Edward heet; Lampje noemt hem ook wel Vis. Aanvankelijk is hij agressief maar met geduld en incasseringsvermogen weet Lampje hem te bereiken. Er ontstaat een band tussen hen. Edward leert Lampje lezen en schrijven. Beiden missen hun moeder en hebben een hardvochtige, afwezige vader, aan wie ze toch loyaal zijn. Zo moet Edward van zijn vader, de Admiraal, leren lopen op zijn vissenstaart; dat blijft hij eindeloos proberen. Er is wel een grens aan wat Lampje accepteert van Edwards beledigingen; dan komt ze hem een hele dag geen eten brengen. Zo groeien ze, aan elkaar en elk in hun eigen element.

Lampje is een dapper kind, opgezadeld met een te grote verantwoordelijkheid. In het begin is ze vooral slachtoffer, maar niet zielig. Ze neemt de dingen zoals ze komen en communiceert met haar overleden moeder, die ze mist en wier stem ze vanbinnen hoort. Door haar ontwapenende vriendelijkheid  neemt ze één voor één de aanvankelijk stugge, norse bewoners van het Zwarte Huis voor zich in. Als ze op de kermis een zeemeermin ontmoet, denkt ze Edwards moeder te hebben gevonden. Stiekem brengt ze hem erheen. Dan ontvouwt zich een wervelende reeks gebeurtenissen vol kleurrijke kermisfiguren: naast de zeemeermin een Siamese tweeling, een vrouw met baard, een dwerg, een vogelvrouw en anderen.

En er zijn meer kleurrijke personages in het boek: een goeiige zwakzinnige jongen, een nuffige schoolfrik, piraten. Zelfs boeken en balken, meeuwen en golven worden sprekende personages met een ziel, en dat volkomen geloofwaardig. De Admiraal figureert lang als afwezige engerd maar komt ten slotte terug van zee en dreigt dan Lampjes vader op te hangen. Met bovenmenselijke moed en met hulp van haar vrienden weet Lampje dit te voorkomen. En uiteindelijk redden Lampje en Edward/Vis elkaar, met respect voor beider eigenheid.

Het vertelperspectief wisselt vaak, waardoor de lezer met verschillende personages kan meeleven en hen van meerdere, vaak tegenstrijdige kanten leert kennen. Zo wordt Lampjes vader door de notabelen van het havenstadje neergezet als de drankzuchtige bruut die zijn dochter verwaarloost en mishandelt. Zodra je hem echter leert kennen vanuit hemzelf, als degene die zich geen raad weet van verdriet om zijn overleden vrouw, als de onmachtige man die spijt heeft dat hij zijn dochter heeft geslagen en niets liever wil dan haar terugzien en het goedmaken, krijg je sympathie voor hem. De saaie, stille tuinman van het Zwarte Huis blijkt een waardevolle vriend. Het monster blijkt een menselijke kant te hebben. En er is meer dat niet is wat het lijkt, waardoor het verhaal tot het laatst blijft boeien.

Vader Augustus zegt in het begin tegen Lampje dat ze geen licht is, maar tegen de verdrukking in groeit ze uit tot een meisje dat zich niet meer laat mishandelen of vernederen. Augustus vindt het moeilijk om zijn spijt te betuigen naar Lampje; uiteindelijk lukt het hem, niet rechtstreeks maar via Vis.

Pis en gal! vloekt Lampje, en als het op het laatst héél eng wordt en ze héél dapper moet zijn: Pis en kots en gal! Het kunnen lezen en schrijven heeft haar zelfvertrouwen gestimuleerd. Daarmee heeft het boek bij alle sprookjesachtige flair ook een emancipatoire kant.

Lampje is behalve een avonturenverhaal vol magie ook een hoopvol epos met psychologische diepgang. Een schitterend, rijk debuut, dat eerder al de Nienke van Hichtumprijs kreeg.

Leeftijd en (voor-)lezen

Lampje bestaat uit zes delen, die steeds voorafgegaan worden door een zwart-witillustratie over twee pagina’s. Kinderen vanaf 10 jaar kunnen het boek zelf lezen. Voorlezen vanaf 8 of 9 jaar. Het is zeer geschikt om voor te lezen in groep 5 tot en met 8, liefst als vervolgverhaal in z’n geheel. Per deel zijn er waarschijnlijk drie voorleessessies nodig, dus achttien sessies in totaal.

Als je als leerkracht maar enkele fragmenten wil voorlezen, kies dan de eerste zeven hoofdstukken, zodat de nieuwsgierigheid is gewekt om zelf verder te lezen.

Groepsgesprek

Een goede manier om een kinderboek klassikaal te bespreken is door Aidan Chambers ontwikkeld. Chambers is een Engelse jeugdboekenschrijver die in 2002 de Hans Christian Andersenprijs kreeg. Hij is ook een specialist in leesbevordering en hij beschrijft deze aanpak, ontstaan in de praktijk van de basisschool, in zijn boeken Vertel eens en De leesomgeving, samengevoegd in Leespraat, Biblion 2012. De Vertel eens-aanpak komt erop neer dat de klas ongeveer drie kwartier over een boek praat naar aanleiding van vragen die de leerkracht stelt. De werkwijze is te gebruiken in de hele basisschool, op het vmbo en in de onderbouw havo/vwo.

De basisvragen van Chambers, die meestal veel reactie ontlokken, zijn dan:

  1. Wat vind je goed aan het boek?
  2. Wat vind je minder goed aan het boek?
  3. Wat vind je moeilijk? Makkelijk? Grappig? Bijzonder? Interessant?
  4. Wat valt je op aan hoe het boek is geschreven en getekend?

Zet de antwoorden van de leerlingen op deze vragen in steekwoorden op het bord. De eerste drie vragen vormen een inleiding tot de laatste vraag, die het belangrijkst is: hoe zit het boek in elkaar?

Als je kinderen leert daarop te letten, gaan ze beter kijken, luisteren en lezen. Dan kunnen ze meer genieten van een boek, en daar gaat het uiteindelijk om. Als ze er eenmaal mee geoefend hebben, dringt een boek beter tot hen door.

Zodra de leerlingen doorhebben dat dát nu stijlkenmerken zijn, gaan ze die in andere boeken ook herkennen. Soms vinden leerlingen na zo’n bespreking moeilijke aspecten niet moeilijk meer, of vallen hen opeens leuke dingen op die ze eerst niet zagen.

Mogelijke antwoorden op vraag 4

 Qua inhoud

  • Lampje is een dapper meisje dat eerst niet kan lezen, maar dat niet dom is.
  • Lampje verdrinkt twee keer bijna, in het begin en aan het eind.
  • Ze komt mensen tegen die haar helpen (meneer Rozenhout, Nick) en die haar dwarszitten (juffrouw Amalia, de Admiraal).
  • Er komen vreemde personages voor in het boek.
  • Stukje bij beetje kom je erachter wie het monster is en wie de Admiraal.
  • Stukje bij beetje raken Lampje en Edward/Vis steeds meer op elkaar gesteld.
  • Pas op het laatst kom je erachter hoe het komt dat Augustus een been mist en dat de piraten bevriend zijn met Augustus.
  • Lampje en Edward zijn allebei hun moeder kwijt en willen graag contact houden met hun vader, ook al zijn hun vaders niet lief voor ze.
  • Lampjes vader heeft spijt, maar Lampje hoort dat pas op het einde.
  • Edward is op zoek naar zijn moeder en Lampje helpt hem daarbij.
  • Edward/Vis en Lampje redden elkaar.

Qua vorm (tekst) 

  • Het is een dik boek, maar niet te lang. Jammer dat het uit is.
  • Het lijkt op een sprookje, maar het is langer.
  • Het is een spannend verhaal.
  • Het boek heeft zes delen, elk met ongeveer tien hoofdstukken.
  • Lange en korte zinnen wisselen elkaar af.
  • Veel zinnen zijn schuingedrukt: liedjes en rijmpjes (p. 11), brief (p. 197), dromen (p. 208), zinnen die Lampje hoort in haar hoofd, bijvoorbeeld van haar moeder; als de wind spreekt (p. 15-16), of de meeuwen (p. 190) of de balken (p. 189).
  • Beeldende zinnen met vergelijkingen: Beneden tegen een rots hangt een schip als een ziek kind tegen zijn moeder. (p. 24) Schuld is een rot ei dat heen en weer gegooid wordt. (p. 27). Rare klanken vielen als knikkers uit haar mond. (p. 64); Lampje probeert in het gesprek te springen als in een draaiend springtouw. (p. 192-193); Lampje is moe. Moe van het tegen de wereld aan duwen. (p. 313).
  • Steeds wordt verteld vanuit iemand anders (= wisseling van vertelperspectief).
  • De hoofdverteller vertelt wat Lennie, die niet kan praten, denkt (p. 297).

Qua vorm (illustraties)

  • Elk deel begint met een tekening over twee bladzijden.
  • Elk hoofdstuk begint met een tekeningetje van een schelp.
  • Alleen de omslag is in kleur.
  • Op de schutbladen en op de achterkant staat een windroos.

Tips

  • Er zijn meer vragen mogelijk; elke leerkracht ontwikkelt daarin zijn of haar eigen stijl.
  • Alles mag gezegd of opgemerkt worden. Niets is gek of stom.
  • Geef de leerlingen het gevoel dat hun antwoord belangrijk is. Er wordt niet door elkaar heen gepraat. Iedereen luistert naar elkaar.
  • Het boek moet niet te simpel en voorspelbaar zijn, anders zijn de leerlingen er snel over uitgepraat. Lampje is geschikt voor zo’n bespreking, evenals alle andere boeken die de Woutertje Pieterse Prijs hebben gewonnen.
  • De Vertel eens-aanpak werkt het best als je die regelmatig hanteert. Dan raken de leerlingen eraan gewend en gaan ze het leuk vinden om op ontdekkingsreis te gaan in andere boeken.
  • Meer informatie in Aidan Chambers: Leespraat, Biblion 2012.

Aan de slag

Hieronder staat een groot aantal lestips: praat-tips en doe-tips.

Lampje kan worden gelezen door kinderen vanaf een jaar of negen, tien, of aan hen worden voorgelezen. De lessuggesties zijn daarom gericht op jaargroep vijf tot en met acht. Maar ook in de brugklas kunnen ze worden gebruikt. De tips zijn geschreven als inspirerende lessuggesties. Het zijn geen uitgewerkte lesbrieven waarin wordt aangegeven hoeveel tijd de uitvoering kost, wat de voorbereidingen zijn, welke competenties worden aangesproken en hoe er geëvalueerd wordt.

Uitgangspunt bij deze lestips is dat de leerkracht zelf het beste weet wat er mogelijk is in zijn of haar eigen groep en wat de kinderen zal aanspreken. Ga er daarom vrij mee om. Doe niet alles! Pas naar eigen inzicht ideeën aan. Het kan altijd anders! Lampje is een rijk boek. Laat kinderen dat, mede door deze tips, ervaren.

Praten

Over Lampje

In het boek staan zes tekeningen waar Lampje op te zien is. Ook op het omslag heeft schrijfster en tekenaar Annet Schaap haar getekend.

De tekening hierboven staat niet in het boek, maar op haar website. Welke tekening in het boek vind je het spannendst, het griezeligst, het zieligst?

Praat met elkaar over Lampje. Wat is ze eigenlijk voor meisje? Hoe oud is ze, volgens jou? Wat voor eigenschappen heeft ze? Hoe denkt ze over haar moeder, over haar vader? Is Lampje aan het eind van het boek anders dan aan het begin?

Hoe anders?

Schrijf de volgende woorden op het bord: zielig, dapper, huilerig, dom, slim, vreemd, verlegen, eenzaam, bang, vrolijk, sterk, zwak, handig, onhandig, kwaad, lief, – nog iets anders. Vraag de kinderen om één woord te kiezen dat Lampje het meest is. Ze zoeken in het boek een stukje dat bij hun antwoord past en lezen het voor.

Welke eigenschap van Lampje zou jij willen hebben?

Zou jij (voor even) Lampje willen zijn? Waar in het boek wel en waar in het boek juist niet?

Over hoofdpersonen

Het boek heet Lampje en bijna elke bladzijde gaat over haar. Zij is dus de hoofdpersoon, de belangrijkste figuur om wie het boek draait. Of niet? Is er ook een tweede hoofdpersoon, en een derde? Wie zijn dat volgens jou? Leg het elkaar uit.

Over bijfiguren

Dit is een tekening van juffrouw Amalia zoals Annet Schaap haar tekent op haar website. Deze tekening staat niet in het boek. Er staat wel een andere tekening van juffrouw Amalia in het boek. Zoek die bladzijde op. (p. 7) Vind je de getekende juffrouw Amalia aardig? Past ze bij de tekst over haar in het boek? Zoek het stukje van het verhaal dat bij deze tekening hoort. (p. 42, het eind van het hoofdstuk Kussensloop.)

In het boek komen allerlei bijfiguren voor: personen die belangrijk zijn voor de voortgang van het verhaal maar die geen hoofdrol spelen. Bijvoorbeeld juffrouw Amalia, Lennie en Martha. Zonder hen zou het verhaal heel anders zijn. Of niet? Wat voor rol hebben ze in het verhaal? En zijn ze in het begin anders dan aan het eind? Praat er met elkaar over.

Welke andere bijfiguur vind je ook belangrijk? Vertel er elkaar over. Welke bijfiguur vind je het aardigst? En aan welke heb je een hekel? Hoe komt dat? Zoek stukjes op in het boek die je aan elkaar voorleest om je mening kracht bij te zetten.

Welke bijfiguur zou je in het echt willen ontmoeten?

Over onthouden en vergeten

Morgen lucifers kopen, denkt ze. Onthouden.
Onthouden is moeilijk, vindt het meisje. Er zit altijd zoveel in haar hoofd: liedjes, verhalen, dingen die ze moet leren, dingen die ze wil vergeten maar die toch steeds terugkomen.
Als ze iets moet onthouden vergeet ze het vaak, en wat ze wil vergeten onthoudt ze maar telkens. Ze verzint een trucje terwijl ze de treden opklimt. Wat moest ze ook weer onthouden? O ja, lucifers. (p. 9/10)

Praat met elkaar over onthouden en vergeten. Vragen die aan bod kunnen komen: Wat onthoud jij heel goed? Geef voorbeelden! Wat onthoud je minder goed? Voorbeelden! Wat vergeet jij vaak? Hoe probeert Lampje iets te onthouden? (Zie p. 10, ze visualiseert.) En helpt dat bij haar?

Hoe onthoud jij iets? Hoe onthoud jij een telefoonnummer, een jaartal, een boodschap?

Praat met elkaar over je concentreren, herhalen, opschrijven, lijstjes maken, agenda’s, iets op een vaste plek neerleggen zodat je het niet vergeet. Vroeger toen mensen nog zakdoeken gebruikten, legden ze er een knoop in.

Weet je wat ezelsbruggetjes zijn? Welke ezelsbruggetjes ken je? Maak je ze soms ook zelf? Ben je goed in Memory? Wat betekent Memory?

Lampje moet iets onthouden en iets anders wil ze juist vergeten. Wat lijkt jou moeilijker: iets onthouden wat je moet onthouden of iets vergeten wat je graag wil vergeten? Heb je daar eigen voorbeelden van?

Over schuld

Schuld is een rot ei dat heen en weer gegooid wordt, verder en verder. Niemand wil het vangen, niemand wil de smurrie over zich heen krijgen.
(…) De eigenaar van het schip beschuldigt de reder. De reder die zijn lading verloren heeft gooit het naar de kapitein. De kapitein gooit het op overmacht. De storm! (…)
De burgemeester kijkt boos naar de wethouder, de wethouder kijkt geschrokken naar de havenmeester en de havenmeester kijkt rond en zoekt naar diegene die… En opeens kijken ze allemaal zijn kant op.
De vuurtorenwachter. Natuurlijk. Daar moet het ei heen. (p. 27/28)

Wie is er schuldig aan de schipbreuk? De vuurtorenwachter krijgt als een rot ei de schuld naar zich toegeworpen. Lampje vind dat zij eigenlijk de schuld heeft, want zij had ervoor moet zorgen dat er lucifers waren om het vuurtorenlicht te ontsteken. Wat vind jij daarvan?

Praat met elkaar over de schuld krijgen en de schuld geven. Hoe is het om van iets de schuld te krijgen? Hoe voelt schuldgevoel? Waar voel je dat vooral in je lijf? Heb jij wel eens de schuld van iets gekregen terwijl het niet jouw schuld was? Heb je wel eens iemand de schuld gegeven terwijl het toch jouw schuld was? Hoe raak je je schuldgevoel weer kwijt?

Over spijt

Augustus droomt elke nacht van haar gezicht.
Hij ziet het zo duidelijk, hij kan het bijna aanraken. (…)
Dan slaat hij zijn stok ertegenaan en barst de droom uit elkaar.
Hij wordt wakker, naar adem happend van spijt. Elke ochtend opnieuw. (p. 156)Augustus kijkt in de verte en denkt na. Dan knikt hij en kijkt haar aan met de blik die ze zo goed kent. Maar hij zegt niks.
Dat het hem spijt, denkt Lampje. Maar hij kan het niet zeggen. Geeft niet. (p. 323)
Dat het me spijt.’ Hij legt zijn hand op haar wang, die al zo lang niet meer blauw is. ‘Alles. Heel erg.’ (p. 324)

De vader van Lampje wordt gekweld door spijt. Hij vindt het verschrikkelijk dat hij haar slecht heeft behandeld en geslagen. Het is voor hem te moeilijk om te zeggen dat het hem spijt. Kun je je dat voorstellen? Aan het eind van het boek zegt hij het toch. Waarom kan hij het dan wel? Praat er samen over.

Heb jij wel eens spijt van iets? Vertel erover als je wilt. Hoe ging die spijt over of heb je hem nog steeds?

Zeggen dat iets je spijt, dat is je excuses maken. Voor Augustus was dat heel moeilijk. Waarom is het soms moeilijk om je excuses te maken? Heb je dat wel eens meegemaakt? Sorry zeggen, helpt dat om van spijt af te komen? Helpt dat altijd?

Over smoezen

Eh… mijn vader heeft eh… de hele nacht gewerkt om het licht te repareren, eh… de lens, want die was kapot en het lukte pas eh…’
‘’s Ochtends.’
‘’s Ochtends. Maar toen was het te laat.’ (p. 26)

De vader van Lampje verzint een smoes om zo niet de schuld te krijgen van de schipbreuk. Lampje moet die smoes uit haar hoofd leren zodat ze dat later kan vertellen.

Heb jij een vader, moeder, broer of zus die wel eens een smoes verzint? Geef voorbeelden! Doe je het zelf soms ook? Geef een voorbeeld! Heb je wel eens meegemaakt dat je een smoes verzon en dat het werd geloofd? Kun je gaan geloven in je eigen smoes? Is een smoes vertellen hetzelfde als liegen? Is het altijd slecht om een smoes te vertellen? Wanneer wel/niet? Wat is het verschil tussen een smoes en een leugentje om bestwil? Wat is de overeenkomst tussen een smoes en nepnieuws?

Over bang zijn en niet kunnen slapen

Ze slaapt niet. Alweer niet.
Ze rolt zich om haar angst heen en blijft op de koude grond liggen luisteren. (…)
Ze laat zichzelf dan maar schelpen zoeken, aan een strand in haar hoofd. Ze vindt hele mooie, roze en groen, glimmend en nat. Ze spoelt het zand eraf en legt ze te drogen op een rots in de zon.
Als de hele rots vol ligt, is ze toch in slaap gevallen. (p. 66/67)

Lampje is bang voor het monster, durft niet in bed te gaan liggen en kruipt eronder. In haar hoofd wil ze iets moois gaan zien: schelpen. Als ze er heel veel heeft gevonden, is ze in slaap gevallen.

Praat met elkaar over de oplossing van Lampje. Wat zou jij doen als je bang of bezorgd in bed ligt en niet kunt slapen? Hoe krijg jij die angst weg? Wat voor moois zou jij dan willen zien? En zou het helpen? Hoe doe je dat eigenlijk: in je hoofd iets moois willen zien als je bang bent?

Over vloeken

Intussen zit Augustus vloekend thuis. (…) Hij vloekt op Lampje en op zichzelf. (p. 18)
Augustus vloekt ze na. (p. 50)
Pis en gal!’ vloekt Lampje. (p. 115)
Pis en gal,’ vloekt ze. (p. 283)
Pis en kots en gal,’ vloekt ze. (p. 292)

Augustus, de vader van Lampje, kan behoorlijk vloeken. Wat hij precies zegt, staat niet in het boek. Lampje kan er ook wat van. Ze gebruikt heel bijzondere vloeken.

Praat met elkaar over waarom Augustus en Lampje vloeken. Wat zit daarachter? Vind je de vloeken van Lampje echte vloeken? Waarom wel/niet?

Waarom vloeken mensen soms? Wat vind je daarvan? Mogen mensen in boeken wel vloeken en in het echt niet? Of maakt dat geen verschil?

Ken jij mensen die vloeken? Vloek je zelf wel eens? Wanneer en waarom? Weet je wat jouw vloek betekent? In sommige vloeken worden ziektes genoemd. Welke ziektes zijn dat? Ken je mensen met zo’n ziekte?

Bestaan er ook leuke vloeken? Kun je er een paar noemen? (Chips in plaats van shit, snotverkommeris, vertikkeme. Uit: Karlijn Stoffels: Marokko aan de Plas, Querido 2002).

Over schelden

Lampje scheldt Edward/Vis uit voor rotjong en pisjoch (p. 116). Ze noemt hem ook  vals reptiel (p. 161). Edward/Vis scheldt Lampje uit voor boerenkinkelkind zonder hersens (p. 161) en voor stom kind en idioot (p. 230).

Praat met elkaar over schelden. Wat vind je ervan dat Lampje en Edward/Vis elkaar soms uitschelden? Is het erg? Hadden ze dat beter niet kunnen doen? Hoe voelen zij zich als ze schelden of worden uitgescholden?

Vind je het grappig als mensen in boeken elkaar uitschelden? Is het in een boek minder erg dan in het echt? Waarom (niet)?

Word jij wel eens uitgescholden? Wat voor scheldwoorden worden dan gebruikt? Hoe voelt dat? Scheld jij wel eens iemand uit? Wat zeg je dan? Is het normaal om af en toe iemand uit te schelden? Er wordt wel eens gezegd: Schelden doet geen zeer. Ben je het daarmee eens? Wat kun je beter doen in plaats van schelden?

Over kijken naar vreemde mensen

Monsters en frrreaks… Eén kwartje slechts… Wonderrrrbaarlijke Frrreaks… Komt dat zien…’ (p. 198)
Vis zou hier zo tussen passen, denkt Lampje. De hele dag zitten en bekeken worden. Ze wordt boos als ze daaraan denkt. Mensen moeten gewoon aan hem wennen. Dan is hij niet eng meer en bijna niet raar. Ze is toch zelf ook aan hem gewend? Maar in deze tent komen mensen niet om te wennen, ze komen om te schrikken. (p. 199)
Hij kan hier niet blijven! gilt het in Lampjes hoofd. Dat kan echt niet, met elke dag mensen die hem aanstaren, dat is nog veel erger dan altijd onder dat bed. (p. 238)

Op de kermis in de tent van de Wereldschokkende Gedrochten zijn freaks te zien: een dwerg, een vrouw met een baard, een Siamese tweeling en andere wezens die er wonderlijk uitzien. Zulke shows waren er vroeger op kermissen. Nu niet meer. Wat vind jij daarvan? Vind je dat jammer of juist goed? Waarom? Praat er samen over. Hoe zou jij het vinden als je bijvoorbeeld super-super-super-dun was om dan, je hele leven lang, bekeken te worden op de kermis?

Zou bekeken worden voor dieren iets anders zijn dan voor mensen? Is een dierentuin eigenlijk ook een kermis of is dat toch anders? Hoe zou het voor een aap of een olifant zijn om zijn hele leven te worden aangestaard?

Over leren lezen en schrijven

Hoezo kun je niet lezen? Ben je niet op school geweest?’ (p. 125)
Dan ga je mij leren lezen.’ Ze knikt omdat ze het opeens heel zeker weet. ‘Lezen en schrijven.’ (p. 152)
En opeens bestaat de wereld uit letters, uit letters die zij kan lezen. Overal zijn O’s en Zetten, Tee’s en N’en. (…) Morgen gaat ze haar naam leren schrijven. Dan hoort ze echt bij de wereld. (p. 164)

Lampje is maar twee weken op school geweest; ze kent alleen de letter E, de eerste letter van haar naam Emilia. Edward (begint ook met een E!) leert haar lezen en schrijven. Lees samen het hoofdstuk Z.O.N. (p. 158 – 164) waarin dat gebeurt.

Praat met elkaar over hoe belangrijk het voor Lampje is dat ze kan lezen en schrijven.

Hoe heb jij leren lezen en schrijven? Op de Z.O.N.-manier of op een andere manier? Hoe dan? Wie heeft je dat geleerd? Wat was het eerste woord dat je las, schreef? Hoe voelde je je toen je het kon? Kun je het nu goed? Waar ben je beter in: lezen of schrijven?

Augustus, de vader van Lampje, kan ook niet lezen en schrijven. Een belangrijke brief van Lampje gooit hij ongelezen weg (p. 248). Een andere belangrijke brief moet worden voorgelezen (p. 304). Hij denkt dat hij zich belachelijk maakt als hij vertelt dat hij niet kan lezen.

Wat mis je als je niet kunt lezen en schrijven? Ben je dom als je niet kunt lezen en schrijven? Zijn er in Nederland meer mensen die net als Augustus niet (goed genoeg) kunnen lezen en schrijven? Zouden die dat lastig vinden? Zich ervoor schamen? Wat zouden die mensen het beste kunnen doen? Zou dat moeilijk voor ze zijn?

Over houden van iemand die niet aardig is

Ik ben heel erg kwaad op je vader, zegt de stem van haar moeder in haar hoofd.
Ja maar mama, zegt Lampje. Hij bedoelde het echt niet zo. (p. 45)

De vader van Lampje zegt soms lelijke dingen tegen haar. Hij vindt Lampje geen licht. Hij doet soms ook verschrikkelijk naar tegen haar. Hij slaat haar zelfs. Toch houdt Lampje van haar vader. Hoe kan dat? Praat er samen over. Hoe kun je houden van iemand die soms zo onaardig is? Edward houdt ook van zijn vader. Of niet? Hoe zou dat komen?

Kunnen kinderen houden van een vader of moeder die niet aardig is? Hoe denk jij daarover? Wat kunnen kinderen doen als ze een vader of moeder hebben die hen vaak slaat of uitscheldt?

Over vuurtorens

Op dit schiereiland staat een vuurtoren, een hoge grijze, die ’s nachts zijn licht rond laat gaan over de kleine stad aan zee. Zo zorgt hij ervoor dat de schepen zich niet te pletter varen op de rots, die daar zo onhandig ligt in het midden van de baai. (p. 8)

Augustus is de vuurtorenwachter in het boek. Hij moet elke avond boven in de toren het vuur aansteken met een lucifer. Omdat hij met zijn ene been moeilijk de trap op kan, laat hij zijn dochter Lampje dat altijd doen.

Praat met elkaar over wat je weet over vuurtorens. Wat is de bedoeling van een vuurtoren? Brandt er boven echt vuur? Waarom zijn ze zo hoog? Hoe komt het dat het licht draait? Hoe weten zeelieden op zee om welke vuurtoren het gaat?

Heb je wel eens een vuurtoren bezocht? Vuurtorens hebben een naam. Hoe heette de vuurtoren die jij bezocht? Wat vond je toen heel bijzonder?

Kijk met elkaar naar dit filmpje over de vuurtoren van Egmond aan Zee, de J.C.J. van Speijk, die honderdtachtig jaar oud is.

Over de achterkant van het boek

Op de achterkant staan twee korte stukjes over het boek uit kranten, een uit Trouw en een uit NRC Handelsblad. Praat met elkaar over welke uitspraak je de beste vindt en waarom. Als er een korte uitspraak van jou op de achterkant  zou komen, wat zou jij dan over het boek zeggen?

De tekst op de achterkant begint met de zin: Dit is een verhaal over de zee. Vind je dat dat klopt? Waarom wel of niet? Praat er samen over.

Illustraties die Annet Schaap maakte voor het omslag van Lampje

Afbeeldingen op het omslag van Lampje

Op de tekening van de windroos op de achterkant staat een foutje. Probeer het samen te ontdekken. (De windrozen op de schutbladen in het boek zijn wel goed!)

Voor de achterkant heeft Annet Schaap een walvis getekend met daaronder de Latijnse naam Balanena misticetus. Zoek via Google naar die naam. Wat is het voor soort walvis? Klopt de naam? Hoe oud kan zo’n walvis worden? Zoek ook een filmpje waarop je de walvis kunt zien. Komen er walvissen in Lampje voor?

Doen

Portret van Edward/Vis tekenen

In het begin wordt Edward een monster genoemd. Op bladzijde 101 zie je op een tekening voor het eerst een stukje van hem: een jongen onder het bed. Op bladzijde 155 zie hem in een karretje: een jongen met een staart. En op bladzijde 194 zit hij onder een doek verstopt in dat karretje. Bekijk samen de tekeningen.

Nergens in het boek zie je een goede en grote afbeelding van Edward/Vis.

Hoe zou Edward/Vis er uitzien? Vraag de kinderen om een grote tekening van hem te maken. Ze kiezen uit het boek een belangrijke passage waar hij in voorkomt en maken van hem een portret. De tekeningen komen bij elkaar in een tentoonstelling.

Vertel pas na afloop dat schrijfster/tekenaar Annet Schaap op haar website een tekening van Edward/Vis heeft gezet en laat die (eventueel op het digibord) zien.

Portret van Augustus tekenen

Augustus, de vader van Lampje, komt veel in het boek voor. Praat met elkaar over wat voor man dat is. Wat is zijn belangrijkste eigenschap? Aan wat van zijn uiterlijk zou je hem meteen herkennen. Hoe denkt Lampje over haar vader? Is Augustus aan het eind van het boek anders dan in het begin? Hoe dan?

Zou jij zo’n vader willen hebben?

Zoek in het boek een stukje van een paar regels waarin je kunt lezen wat voor man Augustus is. Bedenk hoe hij eruit ziet. Is hij mager of fors, heeft hij lange haren en een baard of is hij kaal, draagt hij een pet of heeft hij niets op zijn hoofd, kijkt hij lief of kwaad? Hoe ziet zijn geamputeerde been eruit? Teken bij die regels die je koos een portret van Augustus.

Hang alle tekeningen naast elkaar in een portrettengalerij.

Vertel na afloop dat schrijfster/tekenaar Annet Schaap op haar website een tekening van Augustus heeft gezet die niet in het boek voorkomt. Laat die tekening (eventueel op het digibord) zien.

 Portret van Dubbele Olga tekenen

langs twee oude dames die samen maar één paar benen hebben… (p. 199)
De Siamese tweeling is met zichzelf aan het kaarten. Een van haar hoofden kijkt even op. (p. 228)
de oude Siamese tweeling schuifelt langzaam binnen achter een houten looprek, dat ze telkens een stukje voor zich neerzet. (p. 238)
Gaan we al eten?’ vraagt een van de hoofden van de oude dame.
Ja, wat eten we eigenlijk?’ vraagt het andere. (p. 239)
De dubbele oude mevrouw eet samen van een bordje op haar schoot. De hoofden kibbelen om de lekkerste hapjes. (p. 243)

Dubbele Olga is een Siamese tweeling: twee oude dames met maar één lijf en twee hoofden. Ze zijn al hun hele leven te bezichtigen op de kermis in de tent van de Wereldschokkende Gedrochten.

Maak een tekening van Dubbele Olga. Vergelijk na afloop jullie tekeningen.

En vergelijk hem ook met de tekening die Annet Schaap van de tweeling maakte en die niet in het boek maar wel op haar website te zien is.

Slideshow van dingen uit het boek

Verdeel de klas in groepjes van zo’n vier à vijf kinderen. Elk groepje krijgt een uur lang het boek om samen kriskras door te bladeren en te lezen. Ze noteren dingen die in het boek voorkomen met de bladzijde erbij.

Voor deel 1 levert dat bijvoorbeeld deze lijst op:

– De laatste (afgebrande) lucifer van Lampje (p. 10)
– Stukje wrakhout voor het vuur (p. 12)
– Fles met een briefje erin (niet gevonden) (p. 12)
– Stukje van de sjaal van Lampje (p. 13)
– Zeewier, gevonden op het strand (p. 14)
– Stuk touw, gevonden op het strand (p. 14)
– Doosje lucifers, Zwaluw, extra kwaliteit (p. 17)
– Stukje rots waarop het schip is vergaan (p. 21)
– Veer van een vogel uit de haven (p. 28)
– Rekening van mevrouw Rozenhout (p. 30)
– De stok van Augustus (p. 33)
– Klodder spuug van Augustus (p. 36)
– Veertje van de hoed van juffrouw Amalia (p. 40)
– Scherf van de spiegel van de moeder van Lampje (p. 42)
– Gebloemd theekopje van juffrouw Amalia (p. 47)
– Grote spijker die wordt geslagen in de balk voor de deur (p. 49)
– Blad van klimop dat groeit over het Zwarte Huis (p. 51)
– Sleutel van het hek van het Zwarte Huis (p. 53)
– Gebarsten tegel uit de gang van het Zwarte Huis (p. 55)

De groepjes hoeven niet gestructureerd per deel te werken. Ze mogen hapsnap door het boek heengaan:

– Kwartje van Lampje (p.196)
– Kromme spijker uit de planken van de vuurtoren (p. 305)
– Stukje krant, geknipt door Lennie (p. 75)
– Pen van Edward (p. 161)
– Baardharen van de dame met de baard (p. 198)

Elk groepje bekijkt de lijst en maakt daar afspraken over. Sommige dingen van de lijst zijn makkelijk te vinden, bijvoorbeeld een afgebrande lucifer. Andere dingen kun je maken, bijvoorbeeld de rekening van mevrouw Rozenhout. Weer andere dingen moet je zoeken en vinden: een klimopblad, een spiegelscherf, een stukje rots. Misschien kun je dingen van huis meenemen: een gebloemd theekopje, een grote, oude sleutel. Voor de klodder spuug van Augustus kun je vast iets moois bedenken.

Het groepje bespreekt wie wat meeneemt.

Met een smartphone maken de kinderen foto’s van de dingen. Op elke foto staat ook een leesbaar kaartje met de titel en de bladzijde uit het boek.

De kinderen sturen hun foto’s naar de meester of juf. De leerkracht maakt van de ingezonden foto’s een slideshow in de volgorde van de bladzijden.

Bekijk samen de slideshow op het digibord en laat de makers vertellen wat het voorstelt.

Lange woorden schrijven

Het hart wil wat het hart wil en een vuurtorenwachtersdochterhart wil de vuurtoren zien. Dan kan een vuurtorenwachtersdochterhoofd wel verstandige dingen zeggen, maar dat helpt niet erg. (p. 92)

Vuurtorenwachtersdochterhart (acht lettergrepen!) en vuurtorenwachtersdochterhoofd (ook acht lettergrepen!) zijn lange woorden die niet in het woordenboek staan. Annet Schaap heeft ze verzonnen: ze heeft gewoon woorden aan elkaar geplakt.

Plak ook woorden aan elkaar en maak zo een nieuw lang woord. Het woord gaat over jou. Je vader of moeder is zeer waarschijnlijk geen vuurtorenwachter, maar wat dan wel?

– Kies voor je vader of moeder en schrijf zijn/haar beroep op. Het kan ook vrijwilligerswerk zijn, werk in de huishouding, klussen thuis of hobby’s. Bijvoorbeeld taxichauffeur, verkoopster, verpleger, gastvrouw, kok, filmkijker enzovoort.
– Als je een meisje bent, komt daar ‘dochter’ achter (taxichauffeursdochter). Als je een jongen bent, komt er ‘zoon’ achter (filmkijkerszoon).
–  kies je een lichaamsdeel van jezelf dat je belangrijk vindt: hart, hoofd, lachmond, appelwangen, spierballen, balletbenen, voetbalvoeten, gamevingers of iets anders. Dat lichaamsdeel plak je aan je woord vast. Je krijgt dan bijvoorbeeld: taxichauffeursdochtervoetbalbenen of filmkijkerszoonspierballen.
– Weet je nog een bijvoeglijk naamwoord dat bij je past (verliefd, sterk, vlug, verlegen of iets anders)? Plak dat woord in je lange woord. Dan krijg je bijvoorbeeld: taxichauffeursdochtervluggevoetbalbenen of filmkijkerszoonsterkespierballen.
– Maak een zin met je lange woord erin en lees die voor.

Piratenliedjes maken en opvoeren

Drink- en vreetliedjes zongen ze, droevige verlangliedjes, maar ook verschrikkelijke, over de Geheimen van de Zee (…) p. 8/9

Over vergane schepen ging het, gemiste buit, vette pech. Over gevechten met zeedieren, bloedige gevechten, met vissen zo groot als huizen. En over gevechten met elkaar natuurlijk, want doetjes waren het niet. Hak! Een hand. Flats! Een neus, een oog, een paar vingers: ze misten allemaal wel iets. (p. 112/113)

De piraten in het boek zingen over drank en eten, over verlangens en geheimen.

Maak groepjes van vier, vijf kinderen. Elk groepje maakt een piratenlied.

– Wat drinken piraten? Rum, brandewijn, cola, jenever, chocolademelk of iets anders? Schrijf een korte regel op uit hun drinklied. De regel begint met: ‘En we zopen…’ Verzin er nog een paar regels bij: ‘En dat klokten we naar binnen…’
– Wat eten piraten? Stokvis, haaienvlees, frikandel, kippenpoten, mosselen in witte wijn, pizza margarita of iets anders? Schrijf een korte regel uit hun vreetlied. De regel begint met: ‘En we vraten…’ Verzin er nog wat regels erbij: ‘En we smakten en we boerden…’
– Waar verlangen piraten naar? Naar een storm, een zeilschip met acht zeilen, een zeilschip met vijftig kanonnen, een bloedig gevecht met een zeemonster, een zeemeermin met gouden ogen of iets anders? Schrijf een korte regel uit hun verlanglied. De regel begint met: ‘En we wilden…’ Of met: ‘En we lalden…’.
– Schrijf ook een regel uit een piratenlied over een Geheim van de Zee. ‘En we hadden een geheim…’
– Zet je regels onder elkaar. Verander de volgorde. Verzin er nog wat bij. Kijk wat weg kan.
– Probeer uit hoe je samen je lied kunt zingen of zingzeggen. Dat gaat het beste als er een ritme in zit, een golfbeweging. Soms moet je daarvoor en woord schrappen, een lettergreep toevoegen of de regel omdraaien.
Tip: Je kunt het horen als je bij de regels in je handen klapt of met je voeten stampt.
– Verkleed je als piraat. Denk aan zwarte ooglapjes voor een weggeschoten oog. Teken tatoeages op gezichten en armen. Wie neemt er een houten been? Wie zwaait met de piratenvlag?
– Laat jullie stoere lied horen en zien.

Schelpen tekenen

Ze laat zichzelf dan maar schelpen zoeken, aan een strand in haar hoofd. Ze vindt hele mooie, roze en groen, glimmend en nat. Ze spoelt het zand eraf en legt ze te drogen op een rots in de zon. (p. 67)

Vraag van tevoren aan de kinderen om van huis schelpen mee te nemen. Verzamel zo met elkaar een grote collectie verschillende schelpen. Elk hoofdstuk in het boek begint met een zwart-wit tekeningetje van een schelp. Bekijk ze samen.

Geef elk kind tien kleine memoblaadjes. De kinderen kiezen een schelp uit de verzameling en tekenen die met potlood in twee minuten na. Ze kijken daarbij de kunst af van Annet Schaap: hoe zet zij streepjes, lijntjes, schaduwvlakjes? Het resultaat hoeft niet bijzonder mooi te zijn: de mooiheid komt vanzelf. Na twee minuten neemt elk kind een andere schelp en tekent die na op het tweede memoblaadje. Zo maakt ieder kind in een klein half uur tien tekeningetjes. Ze plakken die elk op een groot vel en maken van alle verzamelingen samen een tentoonstelling.

Welke tekeningetjes hadden dezelfde (soort) schelp als uitgangspunt? Wie weet namen van schelpen? Welke van je eigen tien tekeningetjes vind je het best gelukt? Waarom? Hadden jouw tekeningetjes ook in het boek gekund?

Windroos maken

Jozef was gewoon aan het praten. Legde hem iets uit over windrichtingen en het kompas, dat wist hij allemaal allang… (p. 86)

Op de schutbladen voor- en achterin en op de achterkant van het boek staat een windroos met zestien windrichtingen.

Teken op een groot vel papier een windroos met zestien windrichtingen.

– Pak een groot vel papier en teken met een passer een grote cirkel.
– Doe alsof de cirkel een taart is en verdeel met een liniaal de taart in vier gelijke stukken. Schrijf aan de uiteinden van de vier strepen de windrichtingen: bovenaan een N voor het Noorden, onderaan een Z voor het Zuiden, rechts een O voor het Oosten en links een W voor het Westen.
–  Verdeel dan met je liniaal ieder kwartstuk precies in tweeën. De taart heeft dan acht gelijke stukken. Schrijf aan de uiteinden van de nieuwe strepen de afkortingen van de namen van de windrichtingen. Dat zijn, met de klok mee: NO (Noordoost), ZO (Zuidoost), ZW (Zuidwest) en NW (Noordwest).
–  Verdeel dan ieder stuk van de taart weer precies in tweeën. Dan komen er acht windrichtingen bij. Schrijf de afkortingen van de namen op de goede plek. Met de klok mee zijn dat: NNO (Noordnoordoost), ONO (Oostnoordoost), OZO (Oostzuidoost), ZZO (Zuidzuidoost), ZZW (Zuidzuidwest), WZW (Westzuidwest), WNW (Westnoordwest) en NNW (Noordnoordwest).
–  Leer met de klok mee de windrichtingen op te zeggen. Moeilijk? Bedenk er een ezelsbruggetje voor. Noord, Noordnoordoost, Noordoost, Oostnoordoost, Oost, Oostzuidoost, Zuidoost, Zuidzuidoost, Zuid, Zuidzuidwest Zuidwest, Westzuidwest, West, Westnoordwest, Noordwest, Noordnoordwest, Noord.

Kompas maken

Jozef was gewoon aan het praten. Legde hem iets uit over windrichtingen en het kompas, dat wist hij allemaal allang… (p. 86)

Op een kompas staan de windrichtingen. De naald wijst altijd naar het noorden. Dat komt doordat de naald en de aarde magnetisch zijn; ze trekken elkaar aan. De naald van het kompas volgt de (onzichtbare) magnetische lijn van de aarde die van de zuidpool naar de noordpool loopt. Zo’n kompas werd vroeger op zee gebruikt door scheepskapiteins om de weg te vinden. Nu doen ze dat mede met behulp van een computer. 

Maak zelf een kompas. Dit heb je nodig:

– een kom water
– een schijfje kurk (bijvoorbeeld van een wijnfles), ongeveer een halve centimeter dik
– een naald
– een magneet (bijvoorbeeld een koelkastmagneet)
– een stukje plakband
– een drupje zee
–  Houd de naald vast bij het gaatje en maak hem magnetisch door hem een stuk of 25 keer langs de magneet te wrijven, steeds in dezelfde richting, niet omgekeerd.
–  Leg de magneet weg, want als hij te dicht bij je kom water blijft liggen, trekt hij aan de naald waardoor die een afwijking krijgt.
–  Plak de naald met het stukje plakband op het schijfje kurk.
–  Leg de kurk met naald in de kom water en kijk wat er gebeurt: langzaam draait de naald tot hij wijst naar een bepaalde richting. Dat is het Noorden.
–  Controleer met een echt kompas of het klopt.
–  Als de kurk naar de kant drijft, doe je een drupje zeep in het water: dan blijft hij in het midden.

Als je Noord weet, kun je Zuid, Oost en West daarvan afleiden.

Wijs met je wijsvinger naar Noord, Zuid, West en Oost. En dan naar de windrichtingen daartussen. Kijk op de windroos in het boek of op je zelfgemaakte windroos hoe die heten.

Waar woon jij, vanuit de klas gezien? Noordelijk van de school? Of zuidelijk? Of noordwestelijk? Oostzuidoostelijk? Of nog anders?

Voor wie verder wil lezen en kijken

Over Annet Schaap als illustrator

Annet Schaap was tot nu toe alleen bekend als illustrator. Sinds 1991 illustreerde ze zo’n tweehonderdvijftig kinderboeken, waaronder tientallen van Jacques Vriens en Francine Oomen. Ze maakte vooral furore met haar humoristische tekeningen voor Meester Jaap van Jacques Vriens, voor de Hoe overleef ik… serie van Francine Oomen en de boeken van Janneke Schotveld, waaronder de Superjuffie-reeks. Alle drie de series werden Kinderjury-successen.

Vanaf het begin tekent Annet Schaap vrij realistisch. In Gijsje is een meisje van Liesbeth van der Jagt (1991) tekent ze kinderfiguurtjes in vrij gesloten lijnen. Al gauw wordt haar stijl losser, tegen het karikaturale aan, zoals in Het doorgezaagde meisje (1994 van Mieke van Hooft. Op omslagen na werkt ze vaak in zwart-wit, met pen, achtergronden en omgevingen aangeduid met arceringen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Uit: Het doorgezaagde meisje, Holland 1994.

Met enkele trefzekere lijnen schetst ze kinderen in allerlei situaties en houdingen. Dat maakt haar tot een geschikte illustrator voor de boeken van Jacques Vriens over belevenissen van kinderen op school. Zo illustreert ze in 1995 onder meer Die rotschool met die fijne klas, Een bende in de bovenbouw en Het achtste groepie tegen het soepie.

In 1996 begint ze aan het illustreren van Meester Jaap. Hier geen arceringen meer, maar kleur. Haar prenten zijn nog steeds dienend, maar krijgen nu meer ruimte. Meester Jaap lijkt op Jacques Vriens zelf, met humor getekend. In het eerste deel zijn de prenten nog vrij lief, maar in latere delen worden ze  losser en expressiever, en de gezichten krijgen meer uitdrukking, vooral dat van meester Jaap.

Hoewel Annet Schaap niet primair een prentenboekmaker is, illustreert ze in eenzelfde uitbundige stijl enkele prentenboeken in kleur met verhalen uit Pippi Langkous (2004-2007).

Ze illustreert echter niet alleen humoristische kinderboeken, maar ook serieuze, zoals Achtste-groepers huilen niet (1999). De zwartwitprenten zijn hier rustiger, maar blijven helder en vaak geestig, wat een weldadig tegenwicht vormt tegen de zware thematiek.

In de historische jeugdroman Tien torens diep (2004), ook van Jacques Vriens, beperkt Annet Schaap zich tot bescheiden zwartwitprentjes boven elk nieuw hoofdstuk. Iets dergelijks doet ze in herdrukken van klassiekers als Levende bezems van Lisa Tetzner (2003) en De bende van rode Zora van Kurt Held (2006).

Ook de Hoe overleef ik… serie (1998-2015) illustreert ze veelal met zwartwitprentjes aan het begin van een hoofdstuk, hoewel de boeken soms ook grotere prenten bevatten, zoals in Hoe overleef ik de brugklas (2000). En Hoe overleef ik stress? (2008) staat zo boordevol geestige prentjes dat alleen al daardoor alle stress van je af valt.

De Superjuffie-serie (2011-2017) heeft duidelijk een eigen illustratiestijl. De figuurtjes, met zwarte (kroontjes-?)pen getekend, zijn weer krachtiger omlijnd, maar vol energieke schwung. Achtergronden zijn nu niet gearceerd, maar in verschillende grijstinten geschilderd. Op de omslagen lijkt alles te swingen, tot huizen en bomen aan toe.

In Hoog en laag, een in 2016 heruitgegeven verhaal uit de Waaidorp-serie van Annie M.G. Schmidt, voor beginnende lezers, werkt Annet Schaap behalve met pen ook met potlood en collage, handig gebruikmakend van de lijnen in oud kasboekpapier, waartegen de dunne, soepele mensfiguurtjes levendig afsteken.

Het Zwarte Huis uit Lampje.

Vergeleken met het eerdere werk van Annet Schaap zijn de zes spreadbrede prenten in Lampje poëtischer, wonderlijker, al hebben haar illustraties uit 1998 voor De zeven veren van de papegaai van Paul Biegel ook al dat sprookjesachtige. De prent van het interieur van de torenkamer in het Zwarte Huis (Lampje, p. 100/101) doet qua sfeer denken aan een prent van een scheepsinterieur van Carl Hollander in De kleine kapitein van Paul Biegel, een boek waarmee Lampje verwantschap vertoont.

Opvallend is dat terwijl in alle bovengenoemde boeken de focus van de kijker op de kinderfiguurtjes is gericht, Lampje bijna verdwijnt in een overweldigende omgeving, of dat nu de zee is, de tuin om het Zwarte Huis of de kermis. Opvallend is ook dat uitgewerkte tekeningen van personages uit Lampje niet in het boek staan, maar op de website van Annet Schaap. Al met al is zij dus niet alleen de illustrator van humoristische populaire series, maar ook van sprookjesachtige kinderliteratuur.

Een keuze uit werk van andere auteurs met deels vergelijkbare thematiek/motieven:

Over zeemeermensen:

  • Hans Christian Andersen: De kleine zeemeermin, o.a. in: Andersen, sprookjes en verhalen – volledige uitgave, vertaling dr. Annelies van Hees, diverse illustratoren, Lemniscaat 1992. In bloemrijke taal geschreven sprookje over een zeemeermin-prinses die de wereld van de mensen wil leren kennen. Als ze vijftien jaar is, mag ze opstijgen van de zeebodem. Op een zeilschip ziet ze een jonge prins die daar zijn zestiende verjaardag viert. Als het gaat stormen, vergaat het schip en redt ze de prins. Ze legt hem op het strand maar ziet tot haar teleurstelling dat andere mensen hem meenemen. Als ze van haar zusjes hoort waar hij woont, zwemt ze naar zijn paleis om naar hem te kijken. Ze wil graag mens worden, maar dat kan alleen als een mens verliefd op haar wordt. De zeeheks geeft haar een toverdrank waardoor haar staart pijnlijk doorsneden zal worden tot twee benen. De heks waarschuwt: als ze eenmaal mens is, zal ze nooit meer zeemeermin kunnen worden, en als de prins niet verliefd op haar wordt, zal ze veranderen in zeeschuim. Als betaling snijdt de zeeheks haar tong af. De zeemeermin gaat naar het paleis en hoewel ze niet kan praten of zingen heeft de prins haar lief. Toch trouwt hij uiteindelijk toch met een andere prinses. Op de ochtend dat de zeemeermin zal sterven, geven haar zusjes haar een scherp mes. Daarmee moet ze de prins doden. Als zijn bloed dan over haar voeten druppelt, zullen die weer aan elkaar groeien tot een vissenstaart. Ze gooit het mes echter in zee, springt er zelf achteraan en verandert in zeeschuim en wolken. Annet Schaap heeft een citaat uit De kleine zeemeermin als motto gebruikt.
  • De kleine zeemeermin is vele malen bewerkt. In 1989 verscheen de geromantiseerde filmversie van Walt Disney Productions, met een naar een vrolijker einde omgebogen slot. Prentenboeken zijn er o.a. van Lisbeth Zwerger, Karina Kaila en Quentin Gréban.

Sprookjes over kinderen die hard moeten werken en worden uitgebuit:

  • Charles Perrault: Assepoester of het glazen muiltje, in Sprookjes van Moeder de Gans, vertaling Maria van Donkelaar, illustraties Irene Goede, Lemniscaat 1995, 7+. De versie van Perrault uit 1697 is eenvoudiger dan die van de gebroeders Grimm uit 1815. Een edelman met een mooi, zachtmoedig dochtertje hertrouwt nadat zijn vrouw is overleden. Zijn nieuwe vrouw heeft twee nare dochters. Met z’n drieën laten zij het meisje het vuile werk in huis doen. Ze noemen haar Assepoester. De koningszoon geeft een bal en de twee nare zussen gaan erheen. Assepoester moet hen helpen met aankleden. Als de zussen weg zijn, barst ze in huilen uit, want ze zou ook graag willen gaan. Haar peettante, een fee, helpt haar: een pompoen tovert ze om in een koets, muizen in paarden, een rat in een koetsier, hagedissen in lakeien, en ze geeft haar een prachtige baljurk en glazen muiltjes. Plus een waarschuwing: de betovering zal om twaalf uur precies worden verbroken. Drie avonden achter elkaar gaat ze naar het bal en danst met de prins, die weg van haar is. De derde avond blijft ze net iets te lang. Op de eerste slag van twaalf uur rent ze weg en verliest een van haar muiltjes, dat wordt opgeraapt door de prins. De prins laat alle meisjes die op het bal waren het muiltje passen. Het past Assepoester en zo trouwen ze met elkaar. In 1951 verfilmd door Walt Disney. Er zijn talloze andere bewerkingen, onder andere een ballet van Prokofjev.
  • Astrid Lindgren & Marit Törnqvist: De rode vogel, Hoogland & Van Klaveren 2012, 8+. Universeel, polyinterpretabel verhaal uit 1959 maar nog steeds actueel, over hoop op een betere toekomst voor wie in ellende leeft. Twee weeskinderen, Anna en Mattias, worden door een boer uitgebuit. Ze moeten hard werken voor alleen wat koude aardappelen. Spelen mogen ze niet. Op een dag is Anna ten einde raad. Ze kan maar beter voor de lente dood zijn, zegt ze. Op dat moment zien ze een rode vogel op een besneeuwde tak zitten. Als de vogel opvliegt, rennen ze erachteraan. De vogel wijst hen de weg naar een mooi, vriendelijk land, waar het lente is en waar kinderen spelen. Prachtig geïllustreerd door Marit Törnqvist. Het leven bij de boer oogt somber, grijs en grauw; de kou is bijna voelbaar. De vogel steekt daar als sprankje hoop felrood tegen af.

Over een meisje dat naar een somber landhuis in een grote tuin wordt gestuurd:

  • Frances Hodgson Burnett: De geheime tuin, vertaling E.Veegens-Latorf, illustraties Inga Moore, Christofoor 2008, 10+. Nadat haar ouders zijn overleden, wordt Mary, een verwend meisje, naar een afgelegen somber landgoed gestuurd. Het huis is van haar oom, die veel op reis is. Het kamermeisje Martha (!) zorgt voor haar. Mary dwaalt door de uitgestrekte tuinen van het landgoed en ontdekt een geheime, ommuurde tuin waarvan de deur al tien jaar op slot zit. Met hulp van een roodborstje weet ze in de tuin te komen, die ze tot haar eigen plek maakt, geholpen door Dickon, broer van Martha en een echt natuurkind. Mary hoort het geluid van een huilend kind in het huis. Ze gaat op zoek en vindt Colin, haar neef, die vanwege een ingebeelde ziekte nooit buiten komt. Via ruzies groeien ze beiden over hun egoïsme heen. De geheime tuin was van Colins moeder, die bij zijn geboorte, tien jaar terug, is overleden, waarna zijn vader hem op slot heeft gedaan. Samen met Dickon gaan ze naar de tuin en brengen die – en zichzelf – tot ontwikkeling. Boeiende romantische Britse jeugdklassieker uit 1911 over de helende kracht van de natuur.

Over sprookjesachtige avonturen op zee:

  • Paul Biegel: De grote kleine kapitein, illustraties Carl Hollander, Holland 2007, 8+. Bundeling van de drie delen De kleine kapitein (1971, Gouden Griffel 1972), De kleine kapitein in het land van Waan en Wijs (1973) en De kleine kapitein en de schat van Schrik en Vreze (1975). In het begin woont de kleine kapitein boven op een duin, in een boot die een storm daar heeft neergekwakt. Hij repareert zijn boot met gevonden spullen als een stuk kachelpijp, een touwtje, een po, een roestige fietsketting en noemt hem de Nooitlek. Een hoge golf tilt het schip terug in zee en dan gaat de kleine kapitein op avontuur, samen met Bange Toontje, dikke Druif en Marinka die pannenkoeken bakt. Via de Drakenpoort komen ze bij het onbewoonde eiland van Groot en Groei, de geheimzinnige zeetuin met het schelpenpaleis van vader Blauwkrab, zeerovers en de heer van Schrik en Vreze. Ze overleven stormen, een draaikolk en vuurspuwende bergen. Klassieke fantasierijke voorleestrilogie met suggestieve prenten in zwart-wit en kleur, soms over twee pagina’s.
  • Marjet Huiberts & Sieb Posthuma: Aadje Piraatje, Gottmer 2009, 6+. Vijf geestig geïllustreerde, grappige verhalen op rijm over een piratenjongetje. Aadje moet leren zwemmen tussen de haaien en zeven happen schildpaddensoep eten, schrijft flessenpost aan zijn moeder die hij mist en gaat met alle piraten samen in bad.
  • Korky Paul (illustraties) & Peter Carter (tekst): De verborgen schat van Kapitein Sladrop, Sjaloom en Wildeboer 1989, 5+. Komisch prentenboek over een zeeroverskapitein die onder de plak zit bij zijn vrouw en die vergeet waar hij zijn schatten heeft begraven. Vooral geestig door de talloze gedetailleerde illustraties. 

Over communiceren met een overleden moeder:

  • Annemie en Margriet Heymans: De prinses in de moestuin, Querido 1991, 8+. Zilveren Griffel 1992 en Nienke van Hichtumprijs. Intrigerend kijk-, lees- en denkboek met mysterieuze, betekenisvolle prenten over Hanna van elf en Lutje Matte van zes, die proberen om de sfeer en warmte van hun overleden moeder terug te halen. Hun vader zit voortdurend met zijn neus in de papieren en verwaarloost hen. Uit boosheid daarover wil Hanna in de tuin gaan wonen. Samen met haar broertje sleept ze meubels uit hun moeders kamer naar de tuin. De stem van hun moeder is daar nog waarneembaar: Ze is niet verdwenen / Je kunt haar nog horen / In suizelende wind / In fluisterend gras / Ze zingt in de bomen. Zodra de kinderen contact hebben met haar stem, praten ze op een nuchtere manier met haar en sturen haar soms zelfs weg: Aju stem van mama en Je moet me maar liever niet storen. Fantasiewereld en alledaagse werkelijkheid vloeien soepel in elkaar over.

Over vriendschap tussen een wezen dat op het land leeft en een zeewezen:

  • William Steig: Amos en Boris, Querido 1993, 3+. Prentenboek over de vriendschap tussen een muis en een walvis. De muis Amos lijdt schipbreuk op zijn zelfgebouwde boot en wordt door walvis Boris gered: hij mag mee op Boris’ rug. Jaren later strandt Boris vlak bij het huis van Amos, en roept Amos de hulp in van twee olifanten om Boris weer in zee te duwen. Aandoenlijk verhaal met sobere prenten. (Steig is ook de auteur van Shrek!)
  • Benji Davies: De kleine walvis, Luitingh-Sijthoff 2015, 4+. Warm verhaal over de vriendschap tussen een jongetje en een walvis. Na een storm vindt Boy op het strand een kleine walvis. Hij stopt hem thuis in de badkuip, in de hoop dat zijn vader, die als visser veel weg is, het niet merkt. Natuurlijk merkt zijn vader het wel, en samen brengen ze de kleine walvis in vaders roeiboot terug naar zee. Prentenboek van het Jaar 2017.

Over vriendschap tussen een meisje en een monster:

  • Apuleius (Metamorfosen): Amor en Psyche, voor kinderen naverteld door Simone Kramer in De tocht van de Argonauten – Verhalen uit de Griekse Oudheid, 181-190, Ploegsma 1995, 10+. Toegankelijke navertelling over de bloedmooie Psyche die de jaloezie van Venus wekt. Venus gebiedt haar zoon Amor om zijn pijl af te schieten op de lelijkste man ter wereld, zodat die met haar wil trouwen. Amor steekt per ongeluk zichzelf met zijn pijl en wordt dan zelf verliefd op Psyche. ’s Nachts vrijt hij met haar maar overdag is hij onzichtbaar. Als Psyches jaloerse zussen zeggen dat het vast een monster is, steekt Psyche ’s nachts een lamp aan om te kijken en ziet dat hij juist heel knap is. Amor wordt kwaad en verdwijnt. Psyche gaat op zoek naar Amor, maar omgekeerd ook. Na vele beproevingen vinden ze elkaar terug.
  • An Leysen: Belle en het Beest, Clavis 2016, 6+. Prentenboek naar het verhaal van Jeanne-Marie Leprince de Beaumont (1711-1780). Een prins wordt omgetoverd in een lelijk Beest omdat hij een kil karakter heeft. Hij wordt verbannen naar een kasteel. Iedereen in de omtrek is bang voor het Beest. Een koopman dineert en logeert in het kasteel zonder iemand te zien. Als hij een roos uit de kasteeltuin plukt, komt het Beest tevoorschijn, woedend dat hij als dank voor de gastvrijheid een roos steelt. Hij wil de koopman alleen in leven laten als een van diens dochters hem komt vervangen. De jongste dochter, Belle, besluit te gaan. Ze krijgt het goed in het kasteel. Het Beest doet haar geen kwaad en zegt steeds met haar te willen trouwen. Dat weigert ze. Dan geeft het Beest haar een spiegel waarin ze haar vader ziet, ziek van de zorgen om haar. Ze wil naar haar vader toe. Het Beest staat haar toe te gaan op voorwaarde dat ze binnen een week terug is. Haar jaloerse zus doet een slaapmiddel in Belle’s drankje, waardoor ze niet op tijd terug kan zijn. Ze droomt dat het Beest stervend in de tuin ligt, wordt wakker, snelt terug en verklaart hem haar liefde. Als hij opnieuw vraagt of ze met hem wil trouwen, stemt ze toe. Meteen is de betovering verbroken en staat er een knappe prins voor haar. Haar vader en zus komen op de bruiloft, waarbij de zus zo jaloers is dat ze in een standbeeld wordt omgetoverd.
  • Belle en het Beest werd in 1991 verfilmd door Walt Disney Productions en kreeg kreeg twee Oscars

Over mensen die tentoongesteld werden, op een kermis of anderszins:

  • Lydia Rood: Meisje aan de ketting, Leopold 2007, 10+. Aangrijpende historische jeugdroman over Trijntje Keever (1616-1633), die in Edam woonde en ruim tweeënhalve meter groot werd. In de zomer gaat ze met haar ouders naar de kermis in Amsterdam waar ze voor geld bekeken wordt. Het verhaal, ingebed in filmische, levendige sfeerbeelden uit de zeventiende eeuw, wordt verteld vanuit Trijntje zelf. Daardoor leef je intens met haar mee. Ze is doodsbang dat haar vader haar zal verkopen aan de Berenman, een louche kermisbaas die vijftig gulden voor haar heeft geboden. Terwijl haar vader op zee is, bedriegt de Berenman haar ongeletterde moeder met een vals koopcontract, en ontvoert Trijntje. Ze wordt gered door haar Edamse vrienden én door een tulpenbol, goud waard in die tijd. In het Edams museum hangt een levensgroot schilderij van Trijntje.
  • Kathleen Vereecken: Kleine Cecilia, Querido 1999, 10+. Fijnzinnig, gevoelig verhaal, geschreven vanuit een meisje dat op haar elfde jaar slechts tachtig centimeter groot is. Ook dit verhaal, spelend rond 1895 in Vlaanderen, is op waarheid gebaseerd. Haar moeder verkoopt haar aan kermisbaas Oscar, die haar goed behandelt en als prinses laat optreden en zingen. Als Cecilia in de kermistent Alice ontmoet, een meisje van haar leeftijd dat haar niet als bezienswaardigheid beschouwt maar als mens, krijgt ze weer hoop. De opbloeiende vriendschap tussen Cecilia en Alice wordt in z’n kwetsbaarheid prachtig beschreven.
  • Frank Westerman: El negro en ik, De Bezige Bij 2004, voor volwassenen. Als student ziet Westerman in 1983 in het Natuurhistorisch Museum in Banyoles (Spanje) het opgezette lichaam van een volwassen zwarte man. ‘Bosjesman uit de Kalahari’ staat erbij. Westerman zoekt uit wie deze man was, wie hem heeft opgezet en naar Spanje vervoerd. ‘El Negro’ werd tot 1997 tentoongesteld; daarna mocht het niet meer. Fascinerend boek dat meteen ook een geschiedenis is over slavernij, kolonialisme, racisme en blanke superioriteitsgevoelens. In 2005 kreeg het de Gouden Uil.
  • Arend van Dam: De reis van Syntax Bosselman – verhalen over de slavernij, Van Holkema & Warendorf 2018, 10+. Indrukwekkend historisch jeugdboek met feiten en verhalen, foto’s en tekeningen naar aanleiding van de reis van één van de 28 Surinamers die in 1883 werden tentoongesteld tijdens de Wereldtentoonstelling in Amsterdam in een circustent op het Museumplein. De reis is beschreven in de context van en reflectie op het Nederlandse slavernijverleden.
  • Op de Wereldtentoonstelling van 1883 in Amsterdam werden behalve Surinamers ook Javanen als bezienswaardigheid tentoongesteld in een nagebouwde kampong. Zie: http://www.trouw.nl/home/1883-gapen-naar-een-etalage-van-menschenvlees~a427effc/. Zelfs op de Expo van 1958 in Brussel gebeurde dit nog met Congolezen. Zie: https://anderetijden.nl/aflevering/317/Expo-58?npo_cc=126&.

Links 

 

 

Naar boven