Waar is de taart – Lessuggesties 2005

Boek

Met Waar is de taart? vertelt Thé Tjong-Khing zonder één woord te gebruiken een schitterend humoristisch beeldverhaal vol plots en subplots. We volgen de belevenissen van een aantal vermenselijkte dieren door bos, bergen en grasland, steeds langs dezelfde rivier, in twaalf spreads. Nee, in dertien, want de omslag (ver)telt ook mee.

Het begint met twee ratten die de taart van meneer en mevrouw Hond roven. Ze rennen ermee weg, achtervolgd door meneer en mevrouw Hond. Tegelijkertijd zien we veel meer gebeuren. Een konijntje is ontroostbaar; je ziet haar moeder zoeken in het gras. Twee voetballende kikkerjongens knallen de bal tegen het hoofd van meneer Kater die boos de bal afpakt en ermee wegrent, de jongens achter zich aan. Een stel pesterige apen jat de hoed van juffrouw Kat, de plu van mevrouw Varken en een bos veren uit de staart van Ooievaar. Kat, Varken en Ooievaar laten het er niet bij zitten, maar de apen zijn telkens net iets sneller en behendiger.

Kindje Big holt weg met een ballon en haalt halsbrekende toeren uit. Eend zwemt mee met al haar jonkies op eentje na. Het wordt een complete en complexe achtervolging, waarbij we bovendien her en der geheimzinnige staarten zien opduiken waarvan later pas duidelijk wordt van wie die zijn. Niet alleen de dieren maken een hele reis, ook hun attributen, zoals de bal van de kikkerjongens, de hark van meneer Hond, de hoed van juffrouw Kat, de fles (fris?)drank van Wezel, de verloren Nijntjeknuffel van kindje Konijn, de pantoffels en de ovenwant van mevrouw Hond.

Boven in het boek volgen we intussen de reis van Kameleon met zijn bosje bloemen. Hij schijnt niets in de gaten te hebben van alle commotie. Pas later begrijpen we waarom…

Uiteindelijk zitten de roofratjes aan een boom vastgebonden, terwijl de rest van de dieren geniet van een picknick met taart.

Bijna alle spreads zijn getekend vanuit vogelperspectief, met steeds ongeveer dezelfde afstand tot het gebeuren. Dat zorgt, ondanks de vele gebeurtenissen die zich tegelijkertijd afspelen, voor rust in het totaalbeeld.

Dit alles is getekend in de gedetailleerde en toch losse pentekenstijl waarin Thé Tjong-Khing ook de verhalen over Vos en Haas van Sylvia Vanden Heede uitbeeldde: zorgvuldig en overzichtelijk, met gevoel voor timing, slapstickachtige humor, subtiele grapjes en het visueel afronden van verhaallijnen. Waar is de taart? is een verrukkelijk kijk-, ontdek- en vertelboek dat uitnodigt om eindeloos terug en vooruit te bladeren om te zien waar en hoe verhaallijnen ontstaan en hoe ze aflopen.

Leeftijd en (voor-)lezen

Waar is de taart? heeft het voordeel dat je er met kinderen van alle leeftijden naar kunt kijken, al vanaf 3 jaar, want beelden lezen kan een kind eerder dan letters lezen.
Het is een boek om de tijd voor te nemen, want er gebeurt veel meer in dan op het eerste gezicht lijkt. Zelfs bij getrainde volwassenen die denken dat ze er individueel alles uitgehaald hebben wat erin zit, blijkt dat bij het samen speuren hen nog heel wat ontgaan is.

Bekijk het boek samen met één of een paar kinderen en laat hen vertellen wat er gebeurt. Dat is een oefening in goed leren kijken, combineren, conclusies trekken, verhaallijnen ontdekken en daarover vertellen. Dat zijn overigens belangrijke aspecten voor begrijpend leren lezen.

Voor wie verder wil lezen en kijken

  1. Thé Tjong-Khing (illustraties) en Sylvia Vanden Heede (tekst), Lannoo 2007: De kers op de taart. Boekje met verhaal op rijm, gebaseerd op Waar is de taart? Met op cd-rom een spel om de gestolen taart van meneer en mevrouw Hond terug te vinden en twaalf andere spelletjes. Ook kun je op de cd-rom het rijmverhaal beluisteren.
  2. Thé Tjong-Khing: Picknick met taart, Lannoo 2005. Geen direct vervolg op Waar is de taart? maar wel een even weergaloos rijk en geestig prentenboek zonder tekst, met deels dezelfde personages en deels nieuwe. Meneer en mevrouw Hond hebben nu twee taarten gebakken, maar onderweg naar de picknickplaats verdwijnen die. Wie heeft dat dit keer op z’n geweten? Vooroordelen genoeg…
  3. Sylvia Vanden Heede: Vos en Haas, met tekeningen van Thé Tjong-Khing, Lannoo, vanaf 1998. Sylvia Vanden Heede schreef meer dan tien boeken voor beginnende lezers over het populaire duo Vos en Haas, fijnzinnig getekend door Thé Tjong-Khing, die Vos en Haas ook een eenmalig plekje gaf in Waar is de taart?
  4. Charlotte Dematons: De gele ballon, Lemniscaat 2003, Kinderboekwinkelprijs 2004. Tekstloos prentenboek over de reis van een ballon. En dat niet alleen: er duikt ook steeds een blauwe auto op, een fakir op een vliegend tapijt en een boef in streepjespak. In dit boek zijn allerlei grapjes verwerkt. Heksen, engeltjes, Niels Holgersson, Robinson Crusoë, de kerstman, een witte uil en andere figuren uit de kinderliteratuur zijn te herkennen in dit gedetailleerd uitgewerkte boek. Er bestaat ook een geplastificeerde uitvoering als vloerboek, zodat kinderen er op de vloer omheen kunnen liggen kijken.
  5. Charlotte Dematons: Sinterklaas, Lemniscaat 2007, Gouden Penseel 2008. Nog een prentenboek zonder woorden waar je niet op uitgekeken raakt. De dertien grote kleurige spreads bevatten talloze in detail uitgewerkte, geestige plotjes en subplotjes over Sinterklaas en zijn honderden pieten, soms zo piepklein dat je geneigd bent er een loep bij te nemen. Daarom is het fijn dat er ook een maxi-uitvoering van het boek is. Ook als vloerboek.
  6. Charlotte Dematons: Fiets, CPNB, Kinderboekenweek 2008. Geestig tekstloos prentenboek over de zoektocht van een jongen naar zijn gestolen fiets. Alle mogelijke fietsen passeren de revue: kinderfietsen, bakfietsen, racefietsen, transportfietsen, vouwfietsen, ligfietsen, fietsen met fietskarren en manden, aanhangers, tandems, eenwielers, riksja’s… En ook weer figuren uit de kinderliteratuur, zoals Roodkapje en Kikker.
  7. Quentin Blake: Het Clowntje, De Fontein 1996. Tekstloos prentenboek over een clowntje dat samen met andere knuffels in de vuilnisbak gegooid wordt, daaruit opstaat en allerlei avonturen beleeft. In tegenstelling tot de voorgaande boeken vertelt Blake hier één verhaal: dat van het clowntje dat tenslotte een nieuw thuis vindt voor hemzelf én zijn medeknuffels. De tekenstijl van Quentin Blake is totaal anders dan die van Thé Tjong-Khing en Charlotte Dematons: losser en schetsmatiger.
  8. Max Velthuijs: Een taart voor kleine Beer, De Vier Windstreken 1995. Prentenboek met tekst over de chocoladetaart die Varkentje bakt voor jarige kleine Beer. Ze versiert de taart met aardbeien en slagroom. Als Haas, Varkentje en Eend proeven of hij wel lekker genoeg is, blijft er voor kleine Beer weinig over. Met recept voor een Berentaart die sterk lijkt op de taart uit Waar is de taart?

Groepsgesprek over het boek

Een groepsgesprek over dit boek moet letterlijk rond het boek plaatsvinden, omdat het belangrijk is om steeds allerlei details op te sporen en te kunnen aanwijzen. Daarom kan dat alleen in een kleine groep. Het belangrijkste is samen kijken en erover praten.

Volg samen niet alleen wat er gebeurt met de taart, maar ook met de voetbal, de fles drank, de staartveren van de ooievaar, de sloffen van mevrouw Hond, de hark, de ballon van kindje Big, het mandje van juffrouw Kat, de Nijntjeknuffel, het elfde eendekuikentje, de parasol van mevrouw Varken, enzovoort.

Om het opmerkingsvermogen te stimuleren, stelt u vragen. Begin met het boek open te leggen zodat je voor- en achterkant als één prent ziet:

  • Welke dieren zie je en wat doen ze? Welke dieren hebben zich het best verstopt?

Blader het boek dan langzaam door. Laat de kinderen terugbladeren als ze iets zoeken of willen vertellen:

  • Wat gebeurt er met de taart?
  • Zie je op alle bladzijde een voetbal? Wat gebeurt ermee?
  • Hoeveel kuikens heeft Eend? Zie je ze op alle bladzijden? Wat gebeurt er met ze?
  • Van wie is die geheimzinnige witte veer die steeds opduikt?
  • Staat de Nijntje-knuffel op alle prenten? Wat gebeurt daarmee?
  • Wat doen de apen?
  • Hoe komt de kameleon aan zijn rode kontje?
  • Wat gebeurt er met het hoedje van de kameleon?
  • Hoe loopt het af met de taartrovers?

Met oudere kinderen kunt u praten over:

  1. Het karakter van een specifiek kijkboek: plaatjes lezen, hoe doe je dat precies? Kun je met plaatjes net zoveel vertellen als met woorden? Met plaatjes vertel je op een andere manier dan met woorden. Maar hoe anders? (Mogelijk antwoord: met beelden kun je veel tegelijk laten zien, wat je met woorden ná elkaar moet beschrijven.)
  2. Is dit een stripboek? Waardoor wel of niet? Waar zie je dat aan? Blader je veel terug in dit boek? Zo ja, wat zoek je dan? Doe je dat bij strips ook?
  3. Stel dat je alle bladzijden van het boek achter elkaar plakt tot een lange strook die je aan de muur hangt. Je ziet de dieren dan steeds terug in een volgende scène terwijl je van links naar rechts loopt. Bijna duizend jaar geleden is er zo’n stripverhaal geborduurd. Hieronder zie je een stukje ervan:

    Het is het beroemde tapijt van Bayeux, een halve meter hoog en wel 70 meter lang. Het beeldt het gevecht uit van Willem de Veroveraar, die in 1066 vanuit Normandië Engeland binnenviel en de Angelsaksische koning Harold versloeg. Het tapijt hangt in een museum in de stad Bayeux in Frankrijk. Het is gemaakt van linnen, geborduurd met gekleurde wol. Zie je nog meer verschillen met Waar is de taart?
  4. Zou je een tekenfilm kunnen maken van Waar is de taart?? Waardoor wel of waardoor niet? Wat zou het verschil tussen dit prentenboek en die tekenfilm zijn? (Mogelijk antwoord: het voordeel van een prentenboek boven een film is dat je het in je eigen tempo kunt bekijken en steeds heen en weer kunt bladeren. Een film legt een tempo op en je kunt niet zo makkelijk terugspoelen.) Er is wel een cd-rom met spelletjes van het boek gemaakt (zie ‘Voor wie verder wil lezen en kijken’). Wat vind je daarvan? Goed gemaakt of niet? Wat vind je goed, wat minder?

Spelregels en tips:

  • De leerkracht heeft een open houding: er is niet één waarheid, één oplossing of één goed antwoord. Een gesprek kan juist opbloeien door de diversiteit aan meningen en interpretaties.
  • Normaal gesproken moeten de kinderen het boek al kennen voordat er een groepsgesprek over gehouden kan worden. Ze kunnen hun mening dan uitleggen aan de hand van fragmenten uit het boek. Dit boek kun je niet voorlezen. Het gaat erom samen te kijken, heen en weer te bladeren en erover te praten. Al doende leren ze het boek dan goed kennen.
  • Er zijn meer vragen mogelijk; elke leerkracht ontwikkelt daarin zijn of haar eigen stijl.
  • Alles mag gezegd of opgemerkt worden. Niets is gek of stom. Geef de kinderen het gevoel dat hun antwoord belangrijk is.
  • Iedereen luistert naar elkaar. Er wordt niet door elkaar heen gepraat.
  • Stel geen gesloten vraag waarop maar één antwoord mogelijk is. Vraag liever: ‘Waar zie je dat?’, ‘Hoe bedoel je dat?’, ‘Kun je dat laten zien?’ of ‘Vertel eens…’.
  • Laat het gesprek niet langer duren dan nodig. Het ene boek geeft meer gespreksstof dan het andere.
  • Deze manier om een groepsgesprek te voeren werkt het best als er zo regelmatig met elkaar wordt gepraat. Dan raken de kinderen eraan gewend en gaan ze het leuk vinden om op ontdekkingsreis te gaan in een volgend boek.
  • Deze aanpak is gebaseerd op verschillende inspirerende boeken: Aidan Chambers: Vertel eens en De leesomgeving, Biblion, Den Haag 2001, en Jan van Coillie: Leesfeesten en boekenfeesten – Hoe werken (met) kinder- en jeugdboeken?, NBD/Biblion, Den Haag 2007.

Praten

Over plaatjes lezen

Wat is makkelijker: een boek met alleen woorden lezen of een boek met alleen plaatjes lezen?

Wat doe je liever? Is naar plaatjes kijken ook lezen?

Over tekeningen

In boeken voor kinderen staan bijna altijd tekeningen. In boeken voor grote mensen bijna nooit. Waarom is dat, denk je? Is een boek met plaatjes makkelijker om te lezen dan een boek zonder plaatjes? Houden volwassenen meer van woorden dan van tekeningen?

Over de bladzijden

Op elke volgende dubbele bladzijde zie je hoe het verhaal verder gaat. Als je alle bladzijden achter elkaar zou plakken, past dan alles precies op elkaar? Of overlappen de bladzijden elkaar? Waarom zou dat zo zijn? Worden er ook stukjes land overgeslagen?

Worden er stukjes van de gebeurtenissen overgeslagen? Zo ja, mis je dan niet iets uit het verhaal?

Over dieren met en zonder kleren

Welke dieren in het verhaal hebben kleren aan? Welk dier draagt de mooiste kleren, vind je? En welk dier de deftigste? Welke dieren hebben geen kleren aan?

Hebben de ratten wel of geen kleren aan?

Wie draagt er alleen maar een hoed?

Waarin verschillen dierenkleren van mensenkleren?

Waarom zijn sommige dieren bloot, denk je? (Mogelijk antwoord: alleen de dieren met kleren aan krijgen taart bij de picknick – plus de dino).

Over kindje Big

Kindje Big rent met zijn ballon naar een rotspunt, een klif. Waarom rent hij weg, denk je? Wat doet hij bij de klif? Valt hij of springt hij? En hoe loopt het af met hem?

Voor oudere kinderen kunt u het woord cliffhanger gebruiken: de gebeurtenis waarmee een hoofdstuk afloopt, en die zo spannend is dat je meteen het volgende hoofdstuk wilt lezen: hoe loopt dit af? Letterlijk betekent het woord klifhanger: de hoofdpersoon van het verhaal bungelt aan een rotspunt en dreigt te pletter te vallen. Dat zie je bijvoorbeeld gebeuren in Kuifje in Tibet.

Over de slang en de ooievaar

Wat doet de slang in het verhaal? En de ooievaar? Zijn ze goed of zijn ze slecht? Hebben ze iets met elkaar te maken? (Mogelijk antwoord: de slang staat voor gevaar (kwaad), de ooievaar voor redding (goed).) Wat doet de een met de ander aan het eind?

Over de picknick

Krijgt iedereen een stuk taart op de picknick? Wie niet? Ben je het daarmee eens?

Wie krijgt het stuk met de kers? Ben je het daarmee eens?

Waar trakteert de das op? Waar heeft hij dat vandaan gehaald? Gestolen of eerlijk geplukt? Waarom denk je dat?

Over het vervolg

Bekijk samen de laatste plaat. Dat is einde verhaal. Of niet? Kijk naar de ratten! Stel je voor dat het verhaal verder gaat. Wat zou er dan kunnen gebeuren?

(Eventueel) Over Picknick met taart

Bekijk samen het prentenboek Picknick met taart. Is dit een vervolg op Waar is de taart??

Welke dieren herken je? Welke dieren zijn nieuw? Wat is hetzelfde in dit boek? Wat is anders? Wie hebben nu de taarten ingepikt? En wie krijgen er de schuld van?

Doen

Taart een naam geven

Bekijk op het schutblad van het boek de tekening van de taart. Wat voor taart is het? Van wat voor ingrediënten zou hij gemaakt kunnen zijn? Geef de taart een lekkere naam waarmee hij op een menukaart kan staan. Maak van je lekkere taart een nog lekkerder taart door er van alles aan toe te voegen. Bedenk ook voor die taart een zeer speciale naam.

Maak een kleine tekening van je speciale taart en schrijf de naam eronder. Stel een boekje samen van allerlei taarten en taartennamen.

Decor maken

Kies uit het boek een illustratie van twee bladzijden. Laat je door dat landschap inspireren om dat op een tafel na te bouwen. Het hoeft niet precies te lijken. Een lange blauwe lap kan een rivier zijn. Grote en kleine kiezelstenen zijn rotsblokken; kamerplanten worden bomen. Gebruik gras, zand, hooi, stokjes, lapjes, veren enzovoort. Welke knuffels kunnen de rol spelen van de dieren uit het boek? Speel met de knuffels in dat decor samen met andere kinderen stukjes uit het verhaal na.

Nijntje-knuffel zoeken

Rechtsonder op de tweede plaat in het boek barst kindje Konijn in snikken uit. Ze is haar Nijntje-knuffel kwijt. Die ligt verloren, een eind terug op het pad.

Verstop een Nijntje-knuffel in het lokaal of in de kamer: ergens hoog, laag, onder, op, achter, in. Iedere verstopplek is goed, als er maar (een stukje van) Nijntje zichtbaar is. De knuffel mag dus niet verstopt worden in een dichte kast of in een dichte la.

Alle kinderen gaan Nijntje zoeken. Een kind dat Nijntje gevonden heeft, gaat niet roepen of wijzen waar de knuffel is, maar houdt dat geheim. Het verstop- en zoekspel is afgelopen als alle kinderen Nijntje hebben gevonden.

Spelen zonder woorden

Waar is de taart? is een verhaal zonder woorden. Je kunt ook toneelspelen zonder woorden. Dat heet mimen. Zoek in dit boek een dier uit dat je leuk vindt. Kijk goed wat dat dier doet, hoe het beweegt, wat voor gebaren het maakt, wat voor gezicht het trekt, wat voor avontuur het beleeft. Speel dan dat dier na zonder woorden te gebruiken. Als je klaar bent met je mimestukje, vertellen de kinderen die hebben gekeken welk dier je hebt gespeeld. Klopt het? Ook andere kinderen spelen op deze manier een dier na.

Speel dit spel ook met zijn tweeën. Dan zoek je twee dieren uit die iets met elkaar te maken hebben of die elkaar ontmoeten.

Huis voor een knuffel maken

Rechtsonder op de laatste tekening in het boek zit Moeder Eend met haar kuikens. Twee wonen er in een ovenwant, twee ander in een slof.

Maak voor je eigen knuffel van een bestaand ding een huis. Je beer gaat misschien wonen in een muts, je olifant in een prullenbak met zachte lappen, je aap in een sok, schoen of laars.

Maak een tentoonstelling van alle huizen met wie erin woont. Maak er met een digitale camera foto’s van.

Stripverhaal zonder woorden tekenen

Bedenk een stripfiguur: een knuffel, een kind, een huisdier, een boef of iets anders. Je stripfiguur maakt iets mee: iets grappigs, iets ongewoons, iets omgekeerds. Verdeel je verhaal in vier momenten. Teken je stripverhaal in vier plaatjes. Gebruik er geen woorden bij: geen onder- of bijschriften en geen tekstwolkjes.

Aangeklede dieren tekenen

Kies uit het boek één aangekleed dier en bekijk alle afbeeldingen van dat dier. Wat voor kleren heeft het aan? Let op details, bijvoorbeeld hoe de staart uit de jurk of broek komt. Let ook op het lijf, het hoofd, de beweging. Hoe zien de oren, de neus, de handen, de voeten, de voor- en achterpoten eruit? Als je het weet, doe je het boek dicht. Teken daarna (zonder in het boek te kijken!) je aangeklede dier. Het mag er heel anders uitzien dan bij Thé Tjong-King, want jij bent een andere tekenaar.

Oefen veel en maak een heleboel krabbels en schetsen van aangeklede dieren. Het kunnen dieren zijn uit het boek met andere kleren, of dieren die niet in het boek voorkomen.

Spelen als kindje Big

Als je in de onderbouw zit, kun je dit spel spelen in de gymzaal. De juf of meester vertelt het verhaal en alle kinderen spelen het tegelijkertijd na. Zorg ervoor dat je elkaar niet hindert. Luister naar de stem van de juf of meester en leef je in:

‘Stel je voor dat je kindje Big bent. Je loopt rechtop op je achterpoten over een paadje… Je hebt een rode ballon in je hand. Die ballon trekt je arm een beetje omhoog… Je loopt over het smalle bochtige paadje en je bent blij… Je huppelt een beetje… Je kijkt achterom… Daar lopen je vader en moeder.

Jullie gaan iets leuks doen. Je huppelt verder… Het pad heeft een bocht… En nog een bocht… Je houdt je ballon goed vast. Je wordt een beetje moe… Je gaat zitten in een weitje met zacht gras… Je rust uit… Je gaat even liggen… En dan toch maar weer zitten… Houd je ballon goed vast!

Je vader en moeder praten met meneer Kat die langs komt. Je zit je een beetje te vervelen… Je staat op zonder dat je vader en moeder het merken… Je sluipt door het gras… Je klimt op een rots… Aan de andere kant klim je er van af… Hou je ballon vast!

Je klautert een volgende rots op… Die is nog hoger… Je klautert de hoge rots af… Je staat stil op een weitje en je kijkt naar de rivier… Opeens hoor je gesis. Je kikt achterom. Een slang! Oei! Wegwezen! Vlug klim je een rots op… En weer af… Een volgend rots op… En weer af… En weer op… En weer af… Je wordt moe, je hijgt… Houd je ballon vast!

Je rent een lange bergweg op… Die maakt een bocht…En je rent verder en verder… De weg gaat hoger en hoger… Tot hij opeens stopt. En jij staat ook net op tijd stil… Je kijkt in de diepte beneden. Wat moet je doen? Achter je zit een gevaarlijke slang. Moet je springen? Ga je vallen? Zal de ballon je dragen?

En dan verlies je je evenwicht… En je valt in de diepte! Je laat je ballon los! Je valt en je valt… Het is een eindeloze val…

En dan net op tijd voel je dat iemand je opvangt… Het is een vogel, een ooievaar. Je houdt je goed vast aan zijn veren en samen vliegen jullie hoog in de lucht… Over rotsen en bomen… In de verte zweeft je ballon. Je wijst ernaar… Met je ander hand houd je je goed vast… En dan landen jullie… Een zachte landing op een landingsbaan.

En daar staan je papa en mama… Je rent op ze af… Je omhelst ze… Je staat te trillen op je benen… Langzaam word je weer rustig… Jullie lopen de landingsbaan af… En aan het eind zie je dat de landingsbaan een grote dino is. Hij heeft je ballon in zijn bek… Hij geeft je je ballon en die pak je voorzichtig aan… Houd het touwtje goed vast…

Je bent blij en je danst met je ballon. Je maakt sprongetjes… Je huppelt… Je rent met je ballon door het gras. Naar Kindje Konijn en twee Kikkerjongens… En dan ga je zitten in het gras… Je bindt je ballon vast aan je pols… Je gaat languit liggen in het gras… Je bent moe… Je valt in slaap… In je slaap droom je opnieuw alles wat je hebt beleefd…

Wakker worden! Gaap… Rek je uit… Vertel elkaar hoe het was om te spelen.’

Spelen als kindje Konijn

Op eenzelfde manier als het spel van kindje Big kan het spel van kindje Konijn worden gespeeld. En het spel van meneer Hond, juffrouw Kat, de apen, de ratjes, enzovoort.

Links

Lieke van Duin en Jos van Hest

Reacties naar aanleiding van deze lestips zijn zeer welkom. U kunt ze sturen naar: lestips@woutertjepieterseprijs.nl

Naar boven