Alles komt goed, altijd – Lessuggesties 2019

Bij Alles komt goed, altijd, genomineerd voor de Woutertje Pieterse Prijs 2019, is onderstaand lesmateriaal ontwikkeld door Lieke van Duin en Jos van Hest. Er is ook een pdf beschikbaar.

Alles komt goed, altijd

Kathleen Vereecken & Charlotte Peys
Lannoo, 2018

Inhoud

  • Boek
  • Leeftijd en (voor-)lezen
  • Praten
  • Doen
  • Groepsgesprek
  • Voor wie verder wil lezen

Boek

Alles komt goed, altijd is het schrijnende en ontroerende verhaal van Alice, die tijdens de Eerste Wereldoorlog in de Belgische stad Ieper woonde. Deze stad werd tijdens die oorlog in vier veldslagen totaal verwoest. Er vielen honderdduizenden doden, mede door het chloorgas dat de Duitsers gebruikten.
Alice is de middelste van vijf kinderen. Ze krijgen een blikken wereldbol cadeau: ‘Kijk naar al die kleuren. Kijk hoe mooi de wereld is.’ Al snel wordt de wereld echter minder mooi, want de oorlog breekt uit. Een buurvrouw moet haar vier zoons afstaan voor het leger. Ze horen de kanonnen daveren, de vluchtelingen eten ons arm en de Duitsers stelen op hun doortocht alle broden uit de bakkerswinkel. Voordat het gezin zelf op de vlucht slaat, begraaft Alice haar schatten onder de appelboom in de tuin: een zomerjurk, haar pop, een sprookjesboek en de wereldbol met daarin een foto van het gezin, en brieven. Dan vlucht de familie lopend naar Roeselare, waar een oom woont, maar als na veel ontberingen blijkt dat de Duitsers daar ook al naar op weg zijn, lopen ze maar weer terug naar huis. Bij de lezer dringt zich onwillekeurig de overeenkomst op met de karavanen Syrische vluchtelingen van een eeuw later.
Vader, die timmerman is, timmert nu vooral doodskisten. Als moeder even naar de bakker gaat, wordt zij gedood door een bom. Na gifgas en een gebombardeerde schuilkelder ‘De kelder scheurde open’ wordt Alice met haar jongere broertje en zusje per goederentrein naar een klooster in Frankrijk gestuurd. Na lange tijd zien ze daar vader en grote broer terug. Grote zus niet; zij is overleden aan tyfus. Als Alice na de oorlog thuiskomt in het verwoeste Ieper en haar schatten opgraaft, is ze te groot geworden voor haar jurk, pop en sprookjesboek. De foto met lachende gezichten doet pijn, maar ik wil niet huilen. Ze vindt dat alles misschien toch goed gekomen is. ‘Bijna ongeveer.’ 

Leeftijd en voorlezen

Het boek is geschikt voor kinderen vanaf tien, elf jaar. Het heeft 23 hoofdstukken die in tien sessies voorgelezen kunnen worden. Het is aan te raden om vooraf iets te vertellen over de Eerste Wereldoorlog, die België zwaar trof terwijl Nederland net buiten schot bleef.

Praten

Over de titel (10+)

Alles komt goed, altijd (titel van het boek)
 En toch leven we nog steeds. We lachen en praten, en soms worden we stil. We zijn dezelfde gebleven en ook weer niet. 
 Ik ben niet ongelukkig. En soms ben ik blij, zonder meer blij. 
 Misschien betekent het toch dat alles goed gekomen is. Bijna ongeveer.
 Dat is veel. (slotzinnen, p. 170)
In de oorlog heeft Alice haar moeder en grote zus verloren. Klopt die titel dan wel?
Wat is het verschil tussen die titel en het slot van het boek?

Over liegen (10+)
Een jaar geleden hadden we nog nooit van deze oorlog gehoord. Ons leven zag er zo anders uit. We werden blij van de lente, omdat daarna de zomer kwam. We gingen naar school. En we waren nog allemaal samen. Ook met mijn moeder, die toen niet eens hoefde te zeggen dat alles altijd goed kwam. 
Ze had de hele tijd gelogen tegen ons. Terwijl we van haar geleerd hadden dat liegen slecht is. Misschien had ze twee keer ongelijk. Misschien waren er ook dingen die nooit goed kwamen. En misschien was het niet altijd slecht daarover te liegen. 
Bestond er zoiets als een goede leugen? Een leugen die je vertelde alleen maar om iemand anders geen pijn te doen? (p. 122)
De titel van het boek, Alles komt goed, altijd, is iets wat Alice’s moeder zei om haar kinderen niet ongerust te maken. Alice vindt het in bovenstaand citaat een leugen. Ben je dat met haar eens? Vind je dat je altijd goudeerlijk moet zijn, ook tegen kleine kinderen? In welke situaties mag je liegen en wanneer moet je beslist eerlijk zijn? Praat hierover met elkaar en geef voorbeelden.

Over een bezwering (11+)
Misschien is het zinnetje van Alice’s moeder, Alles komt goed, altijd, ook een soort bezwering: als je iets hardop zegt dan gebeurt het. En als je het maar vaak genoeg zegt, ga je er zelf in geloven. Bijvoorbeeld het kind dat op een stoeprandje loopt en denkt: als ik er niet af val, krijg ik een voldoende voor mijn toets.
Ken je in het echt of uit boeken andere bezweringen?

Over vluchtelingen (10+)
Iedereen had medelijden met de vluchtelingen. Of toch bijna iedereen. Wie iets kon missen -brood, melk, spek- gaf het weg. Maar de stroom stopte niet en stilaan veranderde er iets in de gezichten van sommige mensen. Hun ogen werden minder rond, hun lippen werden dunner. Het was genoeg geweest. Die sukkelaars aten ons arm, hoorde ik vertellen. En ze pakten ons werk af bovendien. Dat het niet eerlijk was, zei de buurvrouw. Dat het profiteren was, klonk het bij de slager. Dat het misschien een beetje veel werd, maar dat we toch moesten helpen waar we konden, hoorde ik bij mijn moeder. Want we hadden geluk. Dat mochten we vooral nooit vergeten. We hadden zoveel geluk. Dus maakte ze een grote ketel soep. Af en toe konden we daar een gezin blij mee maken. Of toch minder triest. 
Aan zelf vluchten dachten we niet. Of toch niet hardop. (p. 37-38)
Bovenstaand citaat komt uit het begin van het verhaal, als het gezin van Alice nog niet op de vlucht is. Dit is ruim honderd jaar geleden gebeurd in België. Herken je er iets in uit onze eigen tijd?
Hoe zou je reageren als je zelf zo’n stroom vluchtelingen langs je deur zou krijgen?
En hoe als je zelf zo’n vluchteling was?

Over Ieper in 1919 (9+)
Laat deze foto zien op het digibord en vertel dat dit een foto is van Ieper in 1919. Hier woonde Alice en haar familie dus, ruim honderd jaar geleden. Vraag de kinderen of zo’n foto ook nu nog gemaakt zou kunnen worden. En waar dan?

 

Doen

In Flanders fields lezen en vertalen (12+)

Het oorlogsmuseum In Flanders Fields in de Belgische stad Ieper is genoemd naar een wereldberoemd gedicht van de Canadese militaire arts en dichter John McCrae. Hij schreef het vlak na de tweede slag om Ieper, in mei 1915, die ook in het boek wordt beschreven en waarbij de Duitsers gifgas gebruikten. Het gedicht gaat zo:
In Flanders fields
In Flanders fields the poppies blow
Between the crosses, row on row,
That mark our place; and in the sky
The larks, still bravely singing, fly
Scarce heard amid the guns below.
We are the Dead. Short days ago
We lived, felt dawn, saw sunset glow,
Loved, and were loved, and now we lie
In Flanders fields.
Take up our quarrel with the foe:
To you from failing hands we throw
The torch; be yours to hold it high.
If ye break faith with us who die
We shall not sleep, though poppies grow
In Flanders fields.
Vertaal dit gedicht met elkaar. Gebruik Google Translate (op je smartphone) of een woordenboek. Bespreek het gedicht. Vergelijk jullie vertaling met die van Herwig Verleyen hieronder. Welke vertaling vind je beter? Mooier? Toepasselijker?
  • Waarom staan er zoveel poppies (klaprozen) in het gedicht, denk je?
  • Wat heeft dit gedicht te maken met het boek?
  • Zie je ook een groot verschil met het boek? (Tip: kijk naar wie aan het woord is in het boek en wie in het gedicht).
  • Op Youtube wordt het gedicht voorgedragen (onder andere door Leonard Cohen), gezongen en gedanst. Zoek het op. Welke versie doet je het meest en waarom?

Vertaling Herwig Verleyen, 1994:

In Vlaanderens velden

In Vlaanderens velden bloeien de klaprozen
tussen
de kruizen, rij aan rij,

die onze plaats aanwijzen. En aan de hemel

blijven de leeuweriken vliegen en dapper kwelen,

tussen ’t geschut beneden nauwelijks te horen.
Wij zijn de Doden. Enkele dagen geleden nog

leefden we, voelden de ochtendstond,

zagen de gloed van de avondzon,

beminden en werden bemind en nu liggen wij, gevelden,

In Vlaanderens velden
Zet onze strijd met de vijand verder.

Met falende handen reiken wij u over
de toorts.
Aan u haar hoog te dragen.

Doet gij dit niet, dan zullen wij in deze aarde

geen rust kennen, ondanks de klaprozen

In Vlaanderens velden.

Op de vlucht slaan (10+)
‘Je hebt één uur de tijd om in te pakken. Wat neem je mee?’ vroeg ik. 
‘Een warme trui. Warme schoenen. Een warme deken. Warme soep. Mijn knikkers.’
‘En waar vlucht je naartoe?’ (p. 38)
Stel je voor dat je zelf moet vluchten en je hebt maar een uur om wat spullen te pakken. Wat neem je mee? Wat moet je achterlaten, ook al vind je dat erg?
Trek je een dubbele laag kleren aan, zodat je minder hoeft te sjouwen? Wat voor schoenen trek je aan? Hoe vlucht je, lopend over bergen, door sneeuw, modder en rivieren? Waar overnacht je? Word je nat? Is het erg koud of heet? Weet je de weg? Krijg je blaren? Heb je honger en dorst? Word je geholpen door mensen, of niet? Word je tegengehouden? Om een beeld te krijgen kun je ook hoofdstuk 9 en 10 (p. 57-75) lezen, waarin de familie van Alice op de vlucht slaat.
Maak groepjes van vijf kinderen. Maak foto’s of video’s van dag 1 van je vlucht, als het nog goed gaat, van dag 5, als het minder goed gaat en van dag 10, als je uitgeput bent. Laat op die foto’s zien hoe je verandert tijdens je vlucht.

In een atlas plaatsen opzoeken (10+)
Tantanna (…) kwam uit Brussel en iedereen wist dat Brussel pal in het midden van België lag. (p. 20)
Al die tijd vertelde Tantanna over Brussel en de winkels en de grote boulevards waar al zoveel automobielen reden. (p. 21)
Ze kwamen van waar de oorlog vandaan kwam. (…) Ik hoorde namen van steden die ik alleen uit de lessen op school kende. Luik. Leuven. Antwerpen. (p. 25)
We vertrokken. Niet naar het zuiden of naar het oosten, want daar kwamen de Duitse soldaten vandaan. Niet naar het westen, want daar kenden we niemand. We zouden naar het noorden trekken, naar Roeselare. (p. 57)
Toen de hemel van zwart naar grijsblauw kleurde, bereikten we Passendale. (p. 62)
Roeselare leek verder weg dan ooit. (p. 71)
Als we in Ieper wilden blijven, moesten we een veiligere schuilplaats vinden. (p. 110)
Zou iemand ooit nog in Ieper willen wonen? (p. 143)
Mijn vader zou met Oscar en Rosa naar het ziekenhuis in De Panne gebracht worden. (p. 127)
‘Je gaat naar het kartuizerklooster van Neuville.’ ‘Onthoud het en zeg het tegen zo veel mogelijk mensen. La chartreuse de Neuville.’ (p. 127/128)
‘Rouen!’ las ze voor. (p. 141)
‘Maar we zijn nu in Normandië Dat is veel verder.’ (p. 142)
Alice en haar familie wonen in Ieper. Het gezin probeert naar Roeselare te vluchten. Ze belanden in Passendale en gaan toch weer terug.
Tantanna (tante Anna) woont in Brussel. Vluchtelingen uit Luik, Leuven, Antwerpen lopen door Ieper. Waar zouden ze heengaan?
Later gaat de vader van Alice met Oscar en Rosa naar De Panne; Alice, Jules en Clara gaan met de trein naar Chartreuse de Neuville in Normandië, Frankrijk. Ze rijden te ver door en komen aan in Rouen.
Waar liggen al die plaatsen? Zoek ze op in een atlas. Hoe ver is de vluchtroute van Ieper naar Passendale? Hoe rijdt de trein van Ieper naar Rouen?

Groepsgesprek

Een goede manier om een kinderboek klassikaal te bespreken is door Aidan Chambers ontwikkeld. Chambers is een Engelse jeugdboekenschrijver die in 2002 de Hans Christian Andersenprijs kreeg. Hij is ook een specialist in leesbevordering en hij beschrijft deze aanpak, ontstaan in de praktijk van de basisschool, in zijn boeken Vertel eens en De leesomgeving, samengevoegd in Leespraat, Biblion 2012. De Vertel eens-aanpak komt erop neer dat de klas ongeveer drie kwartier over een boek praat naar aanleiding van vragen die de leerkracht stelt. De werkwijze is te gebruiken in de hele basisschool, op het vmbo en in de onderbouw havo/vwo.

De basisvragen van Chambers, die meestal veel reactie ontlokken, zijn dan:
1.Wat vind je goed aan het boek?
2.Wat vind je minder goed aan het boek?
3.Wat vind je moeilijk? Makkelijk? Grappig? Bijzonder? Interessant?
4.Wat valt je op aan hoe het boek is geschreven en getekend?
Zet de antwoorden van de leerlingen op deze vragen in steekwoorden op het bord. De eerste drie vragen vormen een inleiding tot de laatste vraag, die het belangrijkst is: hoe zit het boek in elkaar?
Als je kinderen leert daarop te letten, gaan ze beter kijken, luisteren en lezen. Dan kunnen ze meer genieten van een boek, en daar gaat het uiteindelijk om. Als ze er eenmaal mee geoefend hebben, dringt een boek beter tot hen door.
Zodra de leerlingen doorhebben dat dat nu stijlkenmerken zijn, gaan ze die in andere boeken ook herkennen. Soms vinden leerlingen na zo’n bespreking moeilijke aspecten niet moeilijk meer, of vallen hen opeens leuke dingen op die ze eerst niet zagen.

Mogelijke antwoorden van leerlingen op vraag 4
Qua inhoud
  • Het gaat over de Eerste Wereldoorlog en daar wist ik niets van.
  • Ik moest soms denken aan vluchtelingen van nu, uit landen waar oorlog is.
  • Alles komt goed, altijd: Dat zegt Alice’s moeder steeds, maar ze gaat wel dood.
  • Ik ben blij dat ik niet hoef mee te maken wat Alice meemaakt.
Qua vorm
  • 23 korte hoofdstukken met veel dialogen.
  • Het verhaal wordt verteld door Alice, die aan het begin ongeveer elf jaar oud is.
  • Het begint en eindigt met een wereldbol: aan het begin mooi, aan het eind verroest.
  • Veel tekeningen vind ik niet mooi, maar de omslag wel.
  • De kleur oranje komt vaak voor.
Tips 
  • Er zijn meer vragen mogelijk; ontwikkel daarin als leerkracht je eigen stijl.
  • Alles mag gezegd of opgemerkt worden. Niets is gek of stom.
  • Geef de leerlingen het gevoel dat hun antwoord belangrijk is. Er wordt niet door elkaar heen gepraat. Iedereen luistert naar elkaar.
  • Het boek moet niet te simpel en voorspelbaar zijn, anders zijn de leerlingen er snel over uitgepraat. Alles komt goed, altijd is geschikt voor zo’n bespreking, evenals de andere boeken die genomineerd zijn voor de Woutertje Pieterse Prijs.
  • De Vertel eens-aanpak werkt het best als je die regelmatig hanteert. Dan raken de leerlingen eraan gewend en gaan ze het leuk vinden om op ontdekkingsreis te gaan in andere boeken. Meer informatie in Aidan Chambers: Leespraat, Biblion 2012.

Voor wie verder wil lezen

Van Kathleen Vereecken: 
Kleine Cecilia, Querido 1999, 10+. Fijnzinnig, gevoelig verhaal, geschreven vanuit een meisje dat op haar elfde jaar slechts tachtig centimeter groot is. Ook dit verhaal, spelend rond 1895 in Vlaanderen, is op waarheid gebaseerd. Haar moeder verkoopt haar aan kermisbaas Oscar, die haar goed behandelt en als prinses laat optreden en zingen. Als Cecilia in de kermistent Alice ontmoet, een meisje van haar leeftijd dat haar niet als bezienswaardigheid beschouwt maar als mens, krijgt ze weer hoop. De opbloeiende vriendschap tussen Cecilia en Alice wordt in z’n kwetsbaarheid prachtig beschreven.
Over de Eerste Wereldoorlog:

Michael Morpurgo: WarHorse, vertaling Henriëtte Gorthuis (Veldboeket Lektuur Uitgeverij 2013, 10+). In 2011 verfilmd door Steven Spielberg. Prachtig jeugdboek uit 1982. Helaas is de soepele, zorgvuldige vertaling van Tjalling Bos Oorlogspaard (Ploegsma 1993) niet meer verkrijgbaar en moeten we het doen met de stuggere Nederlandse vertaling die als WarHorse verscheen. Het verhaal, geschreven vanuit de hengst Joey, is er echter niet minder om. Joey komt als jong veulen terecht bij een Britse boer. Diens zoon Albert sluit vriendschap met Joey, maar als de oorlog begint, wordt Joey verkocht aan een legerkapitein. In Frankrijk wordt Joey meteen in het oorlogsgeweld gestort. Als hij door bominslagen en geweervuur op hol slaat en door gaten in prikkeldraadversperringen bij het Duitse front terechtkomt, moet hij karren met gewonden trekken. Na twee jaar vindt Joey Albert terug en behoren zij tot de zeer weinigen die de oorlog overleven. Het onpartijdige perspectief vanuit een paard is een geweldige vondst van de auteur. Daardoor zie je de waanzin van de oorlog des te scherper. Voor Joey telt namelijk alleen vriendschap. Hij ontmoet vrienden aan beide zijden van het front, evenals slechte mensen trouwens. Mede daardoor is WarHorse een indringende aanklacht tegen oorlog en een warm en overtuigend pleidooi voor vrede en menselijkheid.

Michael Morpurgo: Het allermooiste kerstgeschenk, illustraties Michael Foreman, Facet 2005, 10+. Ontroerend kort verhaal over het befaamde kerstbestand van 1914, toen Duitse en Engelse soldaten enkele uren samen voetbalden, rookten, bier dronken en worst aten. Het verhaal is gegoten in de vorm van een brief, geschreven op 26 december 1914 door de Britse soldaat Jim aan zijn Connie in Dorset. De ik-figuur vindt de brief in een oud bureautje dat hij koopt. Hij zoekt Connie op, intussen 101 jaar oud en dementerend, in een verpleeghuis. Ze is dolblij, denkt dat de ik-figuur Jim is en vraagt hem de brief voor te lezen.

Martha Heesen: Sterre en Joe (Querido 1997, 10+) In dit boek komt de Grote Oorlog indirect ter sprake via verhalen van een stokoude vrouw aan een meisje, tachtig jaar na de Eerste Wereldoorlog. Ze vertelt over haar kindertijd op het Vlaamse platteland. In 1910 is ze zes jaar oud. Na een idyllisch begin op de boerderij zijn het te voet vluchten naar Nederland, het sneuvelen van drie broers in de oorlog en de armoede in een Amsterdamse kelderwoning een tragisch vervolg. Een boeiend stukje ‘orale geschiedenis’.

Paul Verrept: De kleine soldaat, Clavis 2002, Larrios 2010, 5+. Sober geschreven en geschilderd prentenboek over oorlog, niet speciaal de Eerste Wereldoorlog. Het begint met een jongetje dat naar een speelgoedtank en -soldaatje kijkt. De tekst is even summier als aangrijpend: Op een dag was het oorlog. We vochten. Soms bleef het een hele tijd stil. Dan weer leek het of de wereld ontplofte. Veel soldaten waren dood. Ik leefde. Op een dag was de oorlog voorbij. Je ziet jonge soldaten met knuffels naar het front vertrekken. De oorlog is grauw en donker, met felle lichtflitsen, en veroorzaakt dood en ellende. Na de oorlog oogt het weer kleurig en fris, maar niet iedereen is blij want veel is verwoest en er zijn doden. Knap zoals de waanzin van oorlog voor jonge kinderen begrijpelijk wordt gemaakt.

Hans Kuyper: Achter de draad, Leopold 2014, 13+. Historische jeugdroman waarin de dodendraad centraal staat, het 332 kilometer lange hekwerk onder hoogspanning (2000 volt) dat de Duitsers in de Eerste Wereldoorlog bouwden langs de Nederlands-Belgische grens. Het heeft honderden Belgische vluchtelingen en smokkelaars het leven gekost. Hoofdpersoon is de dertienjarige Mars, die met de smokkelaar Geert samenwoont op een boerderij bij de draad. Zijn moeder is overleden en zijn vader kent hij niet. Geert neemt een zwangere vrouw, Lijne, mee de grens over. Ze bevalt van een dochter. Als Geert verdwijnt en Lijne overlijdt, besluit Mars de baby terug te brengen naar haar familie in België, een levensgevaarlijke tocht via de dodendraad, waarbij hij een Duitser neerschiet met zijn pijl en boog. Het boek bevat meer heftige passages en geeft een levendig, geloofwaardig beeld van de Eerste Wereldoorlog langs de Nederlands-Belgische grens.
Lieke van Duin & Jos van Hest
Naar boven